Home » Leven » Sport en spel » Sport en spel na 1850

NB: Voor het goed begrijpen van dit artikel kan het nuttig zijn om eerst het introductieartikel over sport en spel te lezen, maar het is niet noodzakelijk.

Vernieuwingen sport en spel na 1850

Naar een nieuwe wereld voor sport en spel

Op het gebied van spelen veranderde er in Europa veel in de loop van de 19de eeuw. Daardoor zag het spel, en vooral de sport, er rond 1900 heel anders uit dan rond 1800 en nam ook het volume ervan flink toe. Er is echter geen speciale ontwikkeling aan te wijzen die al die veranderingen heeft aangezwengeld, zelfs de op echt alles van grote invloed zijnde industriële revolutie niet. Er hebben meerdere ontwikkelingen tegelijkertijd plaatsgevonden (vaak wel aan de industrialisatie waren gelieerd) die een omslag in denken en doen hebben veroorzaakt. Niet meteen bij iedereen, maar bij genoeg mensen om grootse ontwikkelingen in gang te zetten die op termijn alles zouden veranderen.


Winslow Homer - Croquet spelers. 1865. Croquet was een populair spel in de 19de eeuw.

 

Wat veranderde er?

Om duidelijk te krijgen waardoor dingen zijn veranderd, is het handig om eerst een beeld te hebben bij wat er in de loop van de 19de eeuw precies is veranderd. Wat er rond 1900 anders was dan rond 1800 en grofweg na 1850 tot stand kwam. Kort samengevat waren dat de volgende zaken:

  • Halverwege de eeuw ontstonden sportclubs in de vorm van een vereniging en begonnen zich over Europa te verspreiden. Rond 1900 kwamen ze vrij algemeen voor, al kwam de echte boom pas na de Eerste Wereldoorlog.
  • Er kwamen officiële competities, kampioenschappen en andere wedstrijden georganiseerd door sportbonden.
  • De Olympische Spelen kregen opnieuw vorm.
  • Voor veel sporten en spellen werden internationaal uniforme spelregels vastgesteld en vaak kwamen er ook scheidsrechters, juryleden en andere officials om op de naleving van die regels toe te zien.
  • Gymnastiek werd op steeds meer plaatsen geaccepteerd als schoolvak.
  • Er werden meer en ook geheel nieuwe sport- en speelmiddelen geproduceerd en op de markt gebracht.
  • Overheden gingen bepaalde spelen organiseren.
  • Er kwamen wedstrijden in stadions die grote groepen toeschouwers trokken.
  • Langzaam maar zeker kwamen er meer als (semi-)professional betaalde sporters.

Maar dit alles ging dus niet vanzelf. De onderstaande ontwikkelen waren allemaal nodig om het in gang te zetten.

 

William Barnes Wollen - The Battle of the Roses. 1895. Roemruchte rugbywedstrijd tussen Yorkshire (witte tenues) en Lancashire (gestreepte tenues) in 1893. De tribunes zitten vol. 

 

Meer vrije tijd

Voor de meeste mensen waren en zijn sport en spel vrijetijdsbestedingen. Geleidelijk aan zijn er wel meer professionals gekomen (vooral na de Tweede Wereldoorlog) en ook onder de oude Grieken en Romeinen zijn er sporters  geweest die leuk verdienden, maar in het jaar 1850 hielden alleen succesvolle gokkers iets aan hun hobby over. Verder niemand. Het waren hoogtijdagen voor amateurs en voor lichaamsoefening om andere redenen dan een wedstrijd willen winnen.

Binnen dit kader was het hebben van vrije tijd een belangrijke voorwaarde om überhaupt aan een sport, een spelletje of een evenement mee te kunnen doen. Het moest immers gebeuren naast het verdienen van de kost. Helaas was vrije tijd de meeste Europeanen rond 1800 nog nauwelijks gegeven, want een werkdag van de ‘gewone man’ besloeg toch al snel meer dan 10 uur, pauzes niet meegerekend. Daardoor was sport lange tijd grotendeels een adellijke kwestie.

Door de industrialisatie zou dat echter veranderen, waarbij de toename van vrije tijd langzaamaan de sociale ladder afdaalde. Eerst waren het de nieuwe rijken en gegoede burgerij die wat meer vrije tijd kregen. Daarna kwamen de vrije beroepen als advocaten, dokters en onderwijzers. In het laatste decennium van de 19de eeuw volgde de rap toenemende klasse van middenstanders. Vanaf 1900 tenslotte werd arbeidstijdverkorting ook voor de arbeiders in Europese fabrieken doorgevoerd en had iedereen meer vrije tijd te besteden.

Deze ontwikkeling is vooral terug te zien in de mate waarin mensen sport beoefenden. Tot 1900 is er een geleidelijke groei, maar als na 1900 ook arbeiders zich gaan interesseren voor sportclubs, groeit het aantal clubs een stuk sneller.

 

Jean Béraud - Backgammon in het café. 1908/1909. Vrijetijdsbesteding voor de echte Parijzenaar.

 

Meer welvaart

Mensen moet er economisch gezien goed voorstaan om ruimte te kunnen bieden aan sport en spel. Diegenen die moeten vechten voor hun bestaan, hebben dringender zaken om hun tijd en weinige geld in te stoppen. Maar ook boven de armoedegrens zaten veel 19de-eeuwers nog krap, aangezien echt alles, van eten en kleren tot kaarsen voor de verlichting en kolen voor op het vuur, zwaar op mensen hun budget drukten.

Meedoen aan sport of zelfs aan een eenvoudig spel kost ook geld. Er zijn haast altijd speciale attributen nodig om te kunnen spelen, voor sport moet er bovendien een terrein of zaal beschikbaar zijn en er is aangepaste kleding nodig. Lange tijd was het voor het overgrote merendeel van de mensen daarom niet denkbaar mee te doen aan sport of een wat serieuzere vorm van spel. Hun kinderen speelden bijna uitsluitend met zelfgemaakt en/of eenvoudig speelgoed.

Het behoeft weinig betoog dat de industriële revolutie ook hier de nodige verandering in bracht. Enerzijds nam de welvaart er zozeer door toe dat steeds meer mensen het zich konden permitteren om aan spelen mee te doen, anderzijds werden veel materialen goedkoper door massaproductie.

 

Harrison Fisher Fore - Prent van golf spelende vrouw. 1909. Golf zou altijd een sport blijven voor de elite, maar wel ook voor het vrouwelijke gedeelte daarvan.

 

Nieuwe vervoersmogelijkheden

De industriële revolutie leidde tot een transportrevolutie die tot een breed scala aan nieuwe vervoersmiddelen leidde. Dat is van groot belang geweest voor het ontstaan van competities en andere moderne sportwedstrijden, omdat de nieuwe vervoersmiddelen reizen over lange afstanden mogelijk maakten. Voorheen konden de meeste mensen zich alleen verplaatsen met de benenwagen, maar ook andere opties als koetsen of trekschuiten waren vrij traag en boden maar beperkte mogelijkheden. Daardoor bleven haast alle vormen van sport en spel als vanzelf lokaal.

In de loop van de 19de eeuw veranderde dat in eerste instantie door de trein, die vanaf de jaren ’30 een serieuze rol in het personenvervoer gaat spelen. Stadsvervoer als de omnibus en de tram hielp ook, maar bleef toch op tamelijk lokaal niveau verlichting bieden. De trein daarentegen opende deuren naar andere regio’s en zelfs andere landen. En een uitwisseling met mensen uit andere regio’s was precies wat men nodig had om spelen te ontwikkelen tot serieus georganiseerde vrijetijdsbestedingen.

Je kunt geen spannende clubcompetities organiseren binnen een straal van tien kilometer en je kunt geen grote publiekstrekkende evenementen organiseren met uitsluitend deelnemers uit drie naburige dorpen. Waarbij dan uiteraard geldt dat ook die toeschouwers door de trein van verder weg konden komen.

Daarmee is het wel zeker dat alles dat de wereld van sport en spel na 1850 heeft voortgebracht, niet zou hebben bestaan als de trein niet was uitgevonden (wat overigens voor heel veel dingen opgaat). In latere jaren zouden ook de stoomboot en nog weer later het vliegtuig het vervoer van deelnemers en toeschouwers vooruit helpen.

 

Oscar Stenvall - (Zweedse) Derdeklas wagon.  Datum onbekend (1875-1916). De derde klas bood geen luxe, maar zo konden ook mensen met weinig geld ook met de trein reizen.

 

Wedstrijden als promotie voor nieuwe vervoersmiddelen

Behalve de trein werden er in de 19de eeuw ook transportmiddelen uitgevonden die bedoeld waren voor individueel vervoer. Dat waren de fiets (1816), de motorfiets (1884) en natuurlijk de auto (1886). Voor al deze vervoersmiddelen geldt dat ze eerst werden gebruikt als leuk nieuw sportmiddel voordat hun enorme potentieel voor het dagelijks verplaatsen van personen pas duidelijk werd. Races met deze technisch vernuftige nieuwigheden lieten daarmee niet lang op zich wachten.  

 

Wielerwedstrijden

Dat begon dus met het rijwiel, een wonderbaarlijke nieuwigheid in de sportwereld: een product dat het gevolg was van technische vooruitgang vormde het opstapje voor een compleet nieuwe sport. Maar aanvankelijk was fietsen voor het plezier ook het enige dat mensen (bijna altijd mannen) met de moeilijk berijdbare vélocipèdes en hoge bi’s (boneshakers) deden. De fiets als alledaags vervoersmiddel kwam pas na 1885 in beeld, door de uitvinding van het Rover safety fietsmodel en de luchtband. Als sportmiddel begon het echter al snel na de uitvinding van de vélocipède in 1867 (met trappers op het voorwiel) storm te lopen.

Dat nam niet weg dat de fabrikanten van vélocipèdes en later hoge bi’s graag zo veel mogelijk rijwielen verkochten . Reclameposters deden in dat opzicht hun werk, maar wielerwedstrijden waren van minstens even groot belang voor de promotie van het nieuwe sportmiddel. Toen bovendien bleek dat deze wedstrijden hele hordes toeschouwers trokken, of ze nu op een baan werden verreden of op de weg, gingen fabrikanten er helemaal voor.

Op  1867 werd in het Bois de Bologne in Parijs de eerste bekende officiële wielerwedstrijd georganiseerd. Een jaar later volgde de fameuze eerste wegwedstrijd over een dikke 80 kilometer van Parijs naar Rouen. Hierna was het hek van de dam en volgden tal van andere wedstrijden door heel Europa, al bleven de meest roemrijke zich in Frankrijk bevinden.  

Het gevolg was dat de wielersport menige andere sport voor zou gaan bij het voortbrengen van professionele sporters. Rijwielfabrikanten huurden de beste wielrenners in om hun fietsmerk te promoten tijdens wedstrijden. Maar dan moesten er wel wedstrijden komen en media om erover te berichten. En zo ontstond er een heus wielercircuit en kwamen er wielerkranten. Tenslotte ontstonden ook de wielerteams, die werden samengesteld uit renners die voor hetzelfde rijwielmerk reden.

 

Auto- en motorsport

Wat werkte voor het verspreidden van de fiets, werkte enkele decennia later ook voor motoren en auto’s. Meer nog, toen in het begin van de 19de eeuw de eerste autoraces werden gehouden, deden deze alle voorgaande opwinding rondom wielerwedstrijden verbleken. Tussen 1900 en 1914 zou geen enkel sportief evenement de mensheid in zulke staat van vervoering brengen als de autorace. Eindelijk was ook de mens een snelle levensvorm.

 

T. Belack (?) - Illustratie op de voorpagina van Le Petit Journal (5 augustus 1894) van de start van een race voor 'wagens zonder paard' van Parijs naar Rouen uit 1894. Auto 27 op de voorgrond is een Peugeot 3 hp bereden door Louis Rigoulot.

 

Toenemende populariteit van paardenraces

Paardenraces (met of zonder wagen) bestaan al sinds de oudheid en zijn nooit helemaal weggeweest. Al stelden ze tijdens de middeleeuwen waarschijnlijk niet veel voor. Hoe dan ook, vanaf de 17de eeuw zaten ze flink in de lift. Vaak waren ze spectaculair en zeer geliefd bij het publiek. Een combinatie van sport en spel ook: enerzijds is de snelle en spannende race zelf met goed getrainde jockeys op zorgvuldig gefokte paarden, anderzijds het gokken op mogelijke winnaars.

In de loop van de 19de eeuw werden paardenraces alleen maar populairder bij een groot publiek. Daar waren behalve de groeiende welvaart ook oorzaken voor die specifiek met paardenraces zelf te maken hadden, namelijk:

  • Betere fokprogramma’s voor paarden. Vooral in Engeland wist men al sinds het eind van de 17de en het begin van de 18de eeuw de fokprogramma’s flink te verbeteren. Daardoor kwamen er steeds meer hoogwaardige volbloeden beschikbaar. Het had echter weinig zin deze prachtige paarden tegen elkaar te laten rennen zonder dat ze werden bereden door goed getrainde jockeys en zonder dat er regels waren waaronder de wedstrijden hoorden plaats te vinden. Daarom werd ook dat gedeelte van het paardenrennen nog voor de 19de eeuw beter georganiseerd.
  • De races werden een verkapte modeshow. Zowel in Engeland als Frankrijk werd het van groot belang om op de renbaan te zien en gezien te worden in een fraaie outfit, vergelijkbaar met naar de opera gaan.

Aangezien dit alles uiteraard een dure aangelegenheid was, trokken paardenraces aanvankelijk toch vooral een puissant rijk publiek. Ook omdat verrassend genoeg juist veel rijken een zwak bleken te hebben voor gok- en kansspelen (ze hadden wellicht minder te verliezen dan anderen) wat verklaart dat het gokelement zo nauw verweven is geraakt met paardenraces.

Juist door het elitaire karakter zouden zich bij de paardenraces op het moment dat de welvaart zich verder verspreidde, al snel een veel groter publiek meldden. Ze werden the place to be voor iedereen die belangrijk was of dat graag wilde worden.

Daarom groeide de belangstelling voor deze races, die al veel strakker waren georganiseerd dan andere sportieve evenementen, gedurende de 19de eeuw sterk en konden ze dienen als een voorbeeld voor andere evenementen.

 

Louis Robert Heyrault - Paardenrenbaan van Iffezheim. 19de eeuw.  

 

Nieuwe ideeën over lichaamsoefening in de 19de eeuw

Lange tijd bestond er veel afkeer in de maatschappij tegen lichaamsoefening van welk type dan ook. Vooral vanuit christelijke hoek vond men het idee van lichaamsbeweging voor de lol verwerpelijk. Het lichaam op zich vond men eigenlijk al het instrument van de duivel. Ook veel andere mensen dachten echter dat lichaamsoefening een superieure geestelijke ontwikkeling alleen maar in de weg zat. 

Ondertussen hadden legerofficieren en werkgevers, met name fabriekseigenaren uit het begin van de 19de eeuw, lange tijd weinig op met het idee van sportende arbeiders of soldaten. Dat zou hun ondergeschikten immers alleen maar vermoeien en de energie wegzuigen bij hun andere taken.

In de 19de eeuw begonnen verschillende mensen hier echter anders over te denken en dat zette een omslag in werking die niet meer te stoppen bleek. Er kwam meer waardering voor lichamelijke oefening, of beter gezegd, lichamelijke opvoeding. Men ging inzien dat een gezonde geest en een gezond lichaam inderdaad vaak samen gaan en dat het bovendien een gunstig effect had op de karakterontwikkeling van jongens. Daarmee was het niet meteen een breed en algemeen geaccepteerd verschijnsel waar iedereen zich op stortte, maar vanaf het begin van de eeuw verspreidden deze ideeën zich door Europa. De manier waarop en mate waarin verschilden uiteindelijk sterk per land of zelfs per streek. De onderstaande stromingen hebben er niettemin een grote rol in gespeeld.

 

  • De opkomst teamsporten in Engeland

Op elitaire Engelse kostscholen als Eton en Rugby en dito universiteiten als Oxford en Cambridge ging men sport in de vorm van competitieve lichaamsbeweging zien als een wezenlijk onderdeel van de opvoeding van Britse jongens uit de hogere klassen. Dat had, net als veel andere vroegere sportbeoefening, een wat militaire achtergrond. Het punt was namelijk dat het enorme Britse wereldrijk veel capabele leidinggevenden nodig had. In dat kader begreep men steeds beter dat de combinatie van lichaamsbeweging en competitie fitte jongens met een sterk en zelfverzekerd karakter zou helpen creëren. Deze kon men dan met een gerust hart naar de koloniën sturen om daar een aantal tropenjaren als officier of bestuurder te draaien.

Vooral nuttig daarbij waren teamsporten als voetbal, rugby en cricket, waarbij de jongens in een groep moesten samenwerken om een tegenstander te verslaan. Om te zorgen dat deze lichamelijke opvoeding ook zou bijdragen tot het aanleren van discipline, werd alles in een gestructureerd competitiesysteem met duidelijke regels gegoten. Dat zou onverwacht een schot in de roos blijken en over heel Europa uitwaaieren.

 

Thomas M. Henry (aquarel naar een tekening van Walter Cox) - Harrow School Football Field. 1887. De vlakke grasmat was nog niet bedacht.

 

  • Lichamelijke opvoeding door gymnastiek

Ook in Duitsland was er in de loop van de 19de eeuw spraken van een herwaardering van lichamelijke opvoeding, maar hierin ontbrak het wedstrijdelement expliciet. De focus kwam te liggen op gymnastiek die op scholen aan kinderen werd gegeven. Hoe anders van karakter verder ook, net als bij de Engelse scholensport was deze gymnastiek vooral bedoeld om jongens uit de elite tot deugdelijke leiders op te voeden.

Grote aanjager van dit systeem was de Duitse nationalist Friedrich Ludwig Jahn (1778-1852). Hij combineerde al rond 1815 theorieën over lichaamsbeweging. helaas combineerde hij die met een nationalistische ideologie rondom een elite die werd gevormd door het Arische ras. Binnen dat kader bedacht hij zelfs het woord turnen in plaats van het jammerlijk on-Duitse woord 'gymnastiek'. Het leverde hem de bijnaam Turnvader Jahn op. Binnen dit systeem was turnen bedoeld als een manier om het lichaam sterk en weerbaar te maken.

Nadat het turnen in Duitsland naam had gemaakt ging het ook de rest van Europa over. Het sloeg echter met name aan in Frankrijk en, jawel, Nederland (vanaf 1857). Op veel Nederlandse scholen werd daarmee al jaren gymnastiek gegeven toen de Engelse sporten zich ook in ons land begonnen te vestigen. Dit was uiteraard lang voordat de ideeën van Jahn enthousiast werden overgenomen door de Nazi’s.

Rond 1900 werd er een nieuw gymnastiekprogramma populair dat uit Zweden afkomstig was. Dat bracht nieuwe oefeningen in lichaamshouding plus nieuwe instrumenten zoals het wandrek. In veel landen, waaronder ook Nederland, werd de Duitse scholengymnastiek al snel vervangen door de Zweedse.

 

Klemmings Atelier - Zweedse gymnastiek op het Koninklijk Centraal Gymnastiek Instituut in Stockholm rond 1900.

 

  • Herwaardering van de klassieke Olympische Spelen

Het begon al mondjesmaat in de 17de eeuw, maar na 1800 sloop er zeker een hernieuwde waardering door Europa voor de klassieke Olympische Spelen. Het achterliggende idee van een gezonde geest in een gezond lichaam kreeg vat op de Europese intellectueel. Leden van de culturele elite ontwikkelden in bredere zin interesse voor de Griekse en Romeinse oudheid, meestal nauw verbonden met de kunststroming van de Romantiek en gestimuleerd door archeologische opgravingen uit de tijd. Uiteindelijk schoot dit, niet verbazingwekkend, vooral wortel in Griekenland zelf, maar ook in Engeland.

Voorlopers hierbij waren onder andere de Griekse dichter Panagiotis Soutsos (1806-1863) en de Britse huisarts William Penny Brookes (1809-1895). Zij promoten het idee dat lichamelijke oefening goed was voor de mens en dat het zowel het lichaam, de geest als het karakter zou sterken. Brookes zette zich daarbij halverwege de eeuw ook expliciet in voor lichaamsoefening voor arbeiders, wat nogal ongebruikelijk was voor zijn tijd en op veel tegenstand stuitte. Net als Soutsos zou Brookes echter aan de wieg staan van de organisatie van voorlopers van de moderne Olympische Spelen, zodat de daad ook bij het woord werd gevoegd. Sommige olympische promotoren haakten tevens aan bij de ideeën van Jahn, maar niet iedereen was daarvan gecharmeerd.

In de laatste twee decennia van de eeuw werd de belangstelling voor de Olympische Spelen pas echt goed op de agenda gezet toen een nog vrij jonge Baron Pierre de Coubertin (1863-1937) zich ermee ging bemoeien en talloze hoogwaardigheidsbekleders aanschreef over de organisatie van nieuwe officiële Olympische Spelen met een internationaal karakter. In 1896 zou deze droom uitkomen.

 

V.l.n.r.: Friedrich Jahn 1852, Panagiotis Soutsos 1873, William Penny Brookes 1860 (cropped) en Pierre de Coubertin rond 1890 (?).  

 

Verspreiding

In 1850 was het, zelfs in Engeland, wellicht nog een minderheid van de mensen die de nieuwe ideeën over lichaamsoefening overnamen. In de jaren die volgden tot aan de eeuwwisselingen werden dat er steeds meer. Niet verwonderlijk, aangezien de theorie dat sport goed is voor zowel de lichamelijke als geestelijke gezondheid door de praktijk wordt ondersteund.

 

Toenemende bemoeienis overheden

Tot 1800 bemoeide overheden en lokale bestuurders zich maar weinig met de uitvoering van sporten en spellen. Dit opnieuw met uitzondering van een aantal Romeinse keizers die er alle belang in zagen om zelf spelen te organiseren en daarmee het volk rustig te houden. Zij maakten echter weinig school met de doctrine van 'brood en spelen'. 

Al sinds de christelijke keizers stonden machthebbers meer aan de kant van de geestelijke leiders en zagen zij spelen liever gaan dan komen. Vooral gok- en kansspelen waren daarbij een doorn in het oog, maar vaak vond men andere spelen niet echt veel beter. Er kwam altijd wel gedonder van, zeker als er veel alcohol werd gedronken en wanneer was dat nu eens niet zo.

Wetten werden uitgevaardigd om spelen in te perken of zelfs compleet te verbieden. Het bleek niet te werken en had soms zelfs een averechts effect. Spelen die waren verboden waren voor veel mensen alleen maar extra interessant.  

In de loop van de 19de eeuw (een topperiode voor bestuurders, commissies en stichtelijke organisaties) begonnen leiders in te zien dat regulering en sturing betere opties waren. Daarmee werden de zaken niet alleen in betere banen geleid, maar kwam er ook geld in het laatje, bijvoorbeeld via kansbelasting. Een goed voorbeeld is het ontstaan van nationaal georganiseerde loterijen.

Nederland liep in deze trouwens nogal voor de troepen uit. Al in 1726 werd een stel plaatselijke loterijen samengevoegd tot de collectieve Generaliteitsloterij, die in 1848 werd omgevormd tot de Staatsloterij. Daarmee is dit een van de oudste nationale loterijen ter wereld.

 

B. Mourik (excudit) - Trekking van de Generaliteitsloterij. 18de eeuw.  

 

1850-1914

Hoewel veel van de bovenstaande ontwikkelingen al in de 18de eeuw of het begin van de 19de eeuw begonnen, is er een soort van kantelpunt zichtbaar rond 1850. Na 1850 gaat alles opeens een stuk sneller en is er, vooral voor lichamelijke oefening, veel meer enthousiasme dan voor die tijd. Vooral in Groot-Brittannië, Griekenland en Duitsland slaat het idee aan en neemt het aantal georganiseerde activiteiten op competitief gebied vanaf de jaren '50 een vlucht.

Andere landen volgen, maar allemaal op hun eigen tempo en binnen hun eigen cultuur. In Frankrijk zou de afkeer van teamsporten bijvoorbeeld nog heel lang stand houden, hoewel gymnastiek op scholen er al vrij snel was geaccepteerd en de Fransen dol waren op races van allerlei soort. Ook in Nederland had men eerst een voorkeur voor gymnastiek, maar brak het verzet tegen het Engelse systeem van sportclubs sneller (vanaf de jaren '70 ongeveer).

Hoe dan ook, toen de eeuwwisseling plaatsvond waren bijna alle veranderingen grotendeels voltooid te noemen. Na 1900 startte er een nieuwe fase, die vooral draaide om de emancipatie van arbeiders en vrouwen en hun toenemende deelname aan sportclubs en spelen buitenshuis.

 

Het Nederlands elftal op 31 maart 1895 (op de dag dat ik dit schrijf exact 125 jaar geleden). Op het programma stond een thuiswedstrijd tegen de Engelse club Maidstone die helaas met 1-2 werd verloren. In het midden met de pet op zit aanvoerder Pim Mulier.  

 

 

Bronnen

  • Jean-Michel Mehl – Sport, spel en ontspanning. In: Wim Blockmans (red.) – Europa door de eeuwen heen. Wetenschap, transport, oorlogen, sport & spel, gezondheid en kunst. Utrecht/ Antwerpen 1994. Kosmos-Z&K. (p177-200)
  • Michel Faure – Sport: vermaak voor de massa en cultuur voor de elite. In: Wim Blockmans (red.) – Europa door de eeuwen heen. Wetenschap, transport, oorlogen, sport & spel, gezondheid en kunst. Utrecht/ Antwerpen 1994. Kosmos-Z&K. (p213-225)
  • Bram Brouwer – De onbekende historie van de moderne Olympische Spelen. Hoe De Coubertin de geschiedenis naar zijn hand zette. Rotterdam 2016. 2010 Uitgevers
  • Jan Bank, Maarten van Buuren – De dageraad van de volksopvoeding. In: 1900: Hoogtij van burgerlijke cultuur. Sdu Uitgevers, Den Haag 2000 (p229-264)
  • Reader’s Digest -Dagelijks leven door de eeuwen heen (Corrie van den Berg red.). Brussel/Amsterdam 1994. Uitgeefmaatschappij The Reader’s Digest.
  • J.M. Fuchs, W.J. Simons - 'De fiets van toen en nu.' Alkmaar 1983
  • L. de Vries - 'De dolle entree van automobiel en vélocipee.'  Bussum 1983
  • Wikipedia Engeland (en.wikipedia.org) – ‘Horse racing in Great Britain’ (31-3-2020)
  • Wikipedia Nederland (nl.wikipedia.org) – ‘Stichting Exploitatie Nederlandse Staatsloterij’ (31-3-2020)

Afbeeldingen

  • Wikimedia Commons (commons.wikimedia.org) (31-3-2020)