Home » Leven » Tijd

Geschiedenis van de tijd

Naar een nieuwe perceptie van tijd in de 20ste eeuw

Hoe wij tegen het verschijnsel tijd aankijken, onze tijd ervaren en deze indelen is niet hetzelfde als hoe mensen dat in het verleden deden, zeker niet in het verre verleden. Door de tijden heen veranderde de perceptie van tijd aanzienlijk. Pas in de loop van de 16de eeuw begon de beleving van tijd zoals wij die kennen geleidelijk aan vorm te krijgen. Omdat mensen toen klokken kregen, gingen ze er ook steeds meer naar leven. Dat kwam voort uit de vroegkapitalistische, stadse maatschappij die ging hechten aan meer punctualiteit en behoefte krijg aan particuliere tijd naast werktijd. Was dat in eerste instantie een pre-industriële geleidelijke ontwikkeling, door de industriële revolutie raakte alles in een stroomversnelling. Een nauwkeurige tijdmeting en een compleet ander besef van tijd waren het gevolg.  


Arthur Heyer - Drie nieuwsgierige katten, voor 1931.

 

Het traditionele tijdsbesef

Tot ongeveer 1500 is er bijna overal ter wereld sprake van een, uit de prehistorie voortkomend traditioneel tijdsbesef. Daar veranderde door de eeuwen heen wel wat aan, maar niet veel. Deze perceptie van tijd wijkt op de onderstaande punten af van het onze.

 

Minder tijdseenheden

Onze vroege voorouders maten de duur van een activiteit of de levensloop van een organisme aanvankelijk helemaal niet af in expliciete tijdseenheden zoals wij dat doen. De prehistorische mens wist niet hoe oud hij was en had al zeker nooit een verjaardag.

Men kende wel dagen, manen, seizoenen en jaren, maar telde die maar in beperkte mate bij elkaar op. Na 29 of 30 dagen was het volle maan en na 12 of 13 volle manen was het weer winter of lente en begonnen alle seizoenen opnieuw. Dat was wat men zag als een jaar, maar op de dag nauwkeurig was dat allerminst. 

Sommige prehistorische culturen kenden niet eens een woord voor tijd. Voor zover men tijd wel van belang vond, was dat verweven in het gemeenschapsleven. In veel primitieve culturen waren activiteiten als bidden, werken en dansen zozeer met elkaar verbonden, dat men ze niet onderscheidde als los van elkaar staande bezigheden. Sommige inheemse culturen hadden er ook maar één woord voor. Daarmee ruimde men dus ook geen aparte uren in voor ieder van deze activiteiten op zich.

Feitelijk was de dag zijn eigen activiteit die hooguit nader werd onderverdeeld in ochtend, middag, avond en nacht.

 

Hugo Darnaut - Ideaalbeeld uit het stenen tijdperk: holbewoners, 1885. De prehistorische mens moest het grotendeels hebben van daglicht en dus duurde een dag zolang als het licht was.  

 

Het meten van de dag in uren en minuten ontstond in de vroege oudheid, maar het verschilde per streek of volk of en in welke mate men er gebruik van maakte. De Babylonische tijdrekening was rond 1500 à 1000 v. Chr. bijvoorbeeld al verrassend gespecificeerd. Dag en nacht werden onderverdeeld in 3 zogeheten waken, die elk zo'n 4 uur duurden. Deze waken waren weer onderverdeeld in 2 perioden (het equivalent van een half uur) of in 4 perioden (het equivalent van een kwartier). Hiernaast was de wake ook onderverdeeld in 60 kleinere eenheden, die UŠ heette. Eén UŠ besloeg de tijd waarin de hemelsfeer 1 booggraad doordraait, wat in onze tijd 4 minuten beslaat. Op haar beurt werd de UŠ weer onderverdeeld in 60 NINDA's (4 seconden).

De belangrijkste reden voor een nadere onderverdeling van de dag was dat gebeden op een bepaalde tijd moesten worden uitgevoerd. Erg precies waren de vroege tijdmetingen echter niet. Op de meeste plaatsen werd de dag werd ingedeeld in twaalf gelijke delen, maar omdat de lengte van de dagen per seizoen verschilt, duurden de uren ’s zomers langer dan in de winter. 

 

Tijd wordt gezien als cyclisch in plaats van lineair

Dagen en nachten, maanden, seizoenen, jaren; ze komen allemaal steeds weer terug en brengen hun eigen kenmerken en verplichtingen met zich mee. In het verleden moesten mensen zich aanpassen aan deze cycli; aan de vraag of het dag of nacht is, winter of zomer. Ze hadden maar weinig middelen (bijvoorbeeld op het gebied van verlichting of verwarming) om tegen het ritme van de natuur in te gaan.

Wat ook op vastgestelde momenten terugkomt zijn religieuze feesten en riten. Deze hadden aan vaste dag of periode in het jaar. Het terugkomen van dergelijke festiviteiten bepaalden mede het cyclische idee van een jaar.

 

Middeleeuwse afbeelding waarbij God in het centrum zit en is omgeven door een slang die in zijn eigen staart bijt (Ouroboros) wat hier symbool staat voor de steeds weer terugkerende cycli in een jaar. 1260.

 

Tijd is alleen kwantitatief, niet kwalitatief

Voor ons verstrijkt niet alle tijd hetzelfde. Soms kruipt hij aan ons voorbij, soms vliegt hij. Of althans, zo zeggen wij dat. Daar hadden mensen in vroegere periodes geen notie van. Dat wil niet zeggen dat ze de bijbehorende gevoelens van traagheid of snelheid niet kenden, maar ze koppelden die niet aan het idee van 'voortschrijdende tijd'. Je kunt de klok niet vooruit kijken als er nog geen klokken bestaan. Voor zover men via zonnewijzers en andere instrumenten op de tijd lette, deed men dat vooral om te zien hoe ver de dag was gevorderd, zodat men wist hoeveel tijd men nog had de lopende werkzaamheden af te ronden. Tijdrekening was daarmee dus uitsluitend functioneel. Het idee van 'quality time' was nog ver weg.

 

Het bijhouden van de tijd

Ondanks het andere tijdsbesef vonden mensen het toch al vroeg belangrijk om de tijd bij te houden. Gebeden dienden immers op vaste momenten van de dag te worden uitgevoerd, dus men moest in te gaten houden wanneer het zover was.

Er werden verschillende mechanismen gebruikt voor deze tijdmeting. De belangrijkste daarvan was de zonnewijzer, die met behulp van door de zon geworpen schaduwen overdag aangeeft welk uur het ongeveer is.

Ook ’s nachts en bij bewolkt weer wilde men echter enig idee van de tijd hebben. Daartoe keek men naar de stand van de sterren en planeten of gebruikte men zandlopers, primitieve waterklokken (waarbij een bepaalde hoeveelheid stromend water voor een bepaalde tijdsduur stond) of kaarsklokken (kaarsen werden gemarkeerd met uurstreepjes, om gelijkmatig branden te garanderen werden ze tochtvrij neergezet). Rond 250 v. Chr. kwamen er meer geavanceerde waterklokken.

Zonnewijzers werken bij de gratie van de stand van de zon op het middaguur, dus om 12.00 uur, omdat deze dan op het hoogste punt aan de hemel staat. Ook zonder zonnewijzers was dit voor veel mensen een belangrijk markeringspunt. Als gevolg daarvan plaatste men het begin van een nieuwe dag ook op dit punt, dus op 12.00 overdag in plaats van 12.00 ’s nachts. 

 

Hans Holbein de Jongere - Detail van De ambassadeurs,  1533. Op deze afbeelding staan verschillende handzonnewijzers en andere meetinstrumenten.

 

Kalenders

Toen religies groter werden, kwamen er steeds meer vaste feestdagen per jaar. Kalenders zijn er daarom ook al vroeg bij. In Schotland is een waarschijnlijke kalender van 10.000 jaar oud teruggevonden die bestond uit kuilen die overeenkwamen met de maanstanden.  Er zijn veel systemen, maar de meesten gingen uit van hemellichamen als de maan en de zon. De oudste kalenders zijn echter allemaal maankalenders.

De maankalender is gebaseerd op de cyclus van de maan, de zogeheten synodische maanden die zo’n 29,5 dag duren. Ongeveer 2 dagen nadat het nieuwe maan is geweest, verschijnt er een smalle maansikkel. Dat was het moment waarop men een nieuwe maand liet beginnen. Omdat synodische maanden geen exact aantal dagen duren, zitten in alle kalenders correctiemomenten in de vorm van schrikkeldagen, -maanden en/of -jaren.

 

Illustratie van een Azteekse Tonalpohualli zonnekalender. Uit de zogeheten Tovar Codex, die de Mexicaanse jezuïet Juan de Tovar in 1585 over de Azteekse cultuur samenstelde. 

 

De komst van de klok

Het is onduidelijk wanneer de eerste mechanische uurwerken of klokken precies werden vervaardigd. De geschiedenis van de klok lijkt echter te beginnen bij de zogeheten torenklokken. Die hadden geen tijdweergave; er luidde op de juiste momenten alleen een bel om mensen op te roepen tot gebed. De oudst bekende torenklok is in 1154 gebouwd in Damascus.

Het eerste uurwerk waarvan bekend is hoe het er uitzag, werd begin 14de eeuw in het benedictijner klooster St. Albans gebouwd door de wetenschappelijk onderlegde abt Richard van Wallingford (1292-1336). Behalve tijd kon men er ook de stand van de hemellichamen op aflezen. Dat dit voor rekening kwam van een benedictijn was geen toeval. Orde stichter Benedictus (480-547) vond dat tijd door God was gegeven en dat monniken daardoor altijd bezig moesten zijn om hun tijd zo goed mogelijk te besteden. Daarmee was deze kloosterorde zijn tijd zowel letterlijk als figuurlijk vooruit.  

 

Uitvinders van tijd: Links Abt Richard of Wallingford aan het werk, 14de eeuw. Rechts Christiaan Huygens door Bernard Vaillant in 1686.

 

In principe beschouwde men klokken lange tijd als een automaton, een pre-industrieel mechanisme dat zelfstandig kon werken. Klokken golden binnen dit kader als de moeilijkste automata om te maken, maar de bouwer kon er daarom wel roem mee  vergaren. Klokken waren aldus uniek en peperduur en konden niet zomaar gereproduceerd worden. Vanaf de 14de eeuw waren de belangrijkste afnemers van klokken stadsbesturen, voor wie het hebben van een in het oog springende klok op hun stadshuis een prestigeproject was. Helaas werkten dergelijke klokken nog niet zo netjes. Het mechaniek had veel te lijden van temperatuurwisselingen, waardoor de klok in de loop van een dag minstens een kwartier fout kwam te lopen.

Dat veranderde in 1657 toen Christiaan Huygens het slingeruurwerk uitvond. De lengte van de slinger bepaald de duur van de zwaaibeweging. Omdat dit netjes kan worden afgesteld, werken slingeruurwerken wel nauwkeurig. De slinger van een staande klok is meestal een meter lang en zwaait in precies een seconde van links naar rechts. Dit uurwerk was zo'n verbetering dat niet alleen stadshuizen ervan profiteerden, maar de klok ook beschikbaar kwam voor gebruik in huis. Wie hem kon betalen kon nu zijn eigen klok kopen. 

 

Anne Ger - Slingerwandklok (uit 1840), 1936 (aquarel).

Eerste slingeruurwerk ontworpen door Christiaan Huygens en gebouwd door klokmaker Saloman Coster. Uit Horologium, een verhandeling van Huygens over klokken uit 1658.  

 

Particuliere klok wordt particuliere tijd

Dankzij de komst van de klok was een exactere tijdmeting mogelijk. Maar zoals dat wel vaker gaat met nieuwe vindingen werden ze van een extra luxe een noodzakelijkheid. Door de uurwerken werd de relatieve onbetrouwbaarheid van de zonnewijzer evident en werd het mechanische uurwerk de norm.

Ondertussen merkten kooplieden dat ze meer afspraken op een dag konden inplannen als deze keurig was opgedeeld in vaststaande uren en dat kwam de handel ten goede. De klok maakte zich dan ook al snel geliefd bij de gegoede burgerij in de steden. 

Als gevolg daarvan kwam er in de 16de eeuw een markt voor huisklokken. Met een klok in huis ging de burgerlijke elite in de steden als vanzelf ook anders tegen tijd als verschijnsel aankijken. Dat bracht de volgende veranderingen tot stand:

  • Men koppelde voor het eerste waarde aan tijd. Het hebben van een klok betekende dat de eigenaar een drukbezet en dus belangrijk persoon was. Iemand wiens tijd letterlijk kostbaar was en er dus zo efficiënt mogelijk mee om moest gaan.
  • In steden werd het tijdsbesef minder cyclisch. Door de komst van de klok werd in steden de tijd minder direct afgemeten aan de stand van de zon en bestond een jaar niet meer alleen uit het volbrengen van alle seizoenen. Daarmee zag men de tijd nog niet uitsluitend als een gestaag voortschrijdend verschijnsel, maar dat idee begon zich wel te ontwikkelen en te verspreiden. Alleen nog even niet op het platteland, waar de seizoenen zich nog maximaal deden gevoelen. 
  • Er ontstaat voor het eerst een notie van particuliere tijd. De privéklok nodigde uit tot het afzonderen van een gedeelte van de tijd van economische en sociale verplichtingen. Deze bracht men expliciet binnen het eigen gezin door op een manier die men zelf kon invullen.

Omdat hij zo duidelijk verbonden is met de handel, wordt dit veranderende tijdsbesef toegeschreven aan het zogenaamde handelskapitalisme dat zich sinds de 16de eeuw door zeevarend Europa verspreidde. Dit telt als de oudste vorm van een kapitalistisch systeem. Daarmee zijn het ontstaan van het kapitalisme, de opkomst van het burgerlijke tweegeneratie gezin dat uit ouders en kinderen bestaat en het ontstaan van het idee van 'tijd voor jezelf' onlosmakelijk met elkaar verbonden.

 

Jan Steen - Soo gewonne, soo verteert, 1661. De schilder neemt het er zelf van in zijn vrije tijd, terwijl op de achtergrond twee mannen tric-trac spelen. De bedienden moeten echter gewoon doorwerken. Zeventiende eeuwse vrijetijdsbestedingen binnenshuis voor de elite, maar met een knipoog naar het systeem, zoals de titel aangeeft.

 

Horologische revolutie

In de eeuw tussen 1660 en 1760, dus kort na de uitvinding van het slingeruurwerk, nam uurwerktechnologie een enorme vlucht.

Zo kwamen er door verbeteringen van het veermechanisme ook zakhorloges, waardoor men de tijd voortaan zelfs met zich mee kon dragen. Tegen het eind van de 18de eeuw waren er al horloges met secondewijzers te krijgen, al waren minuten en seconden nog volstrekt onbelangrijk in het dagelijkse leven.

Dat kwam ook omdat er nog geen standaardtijd bestond die men kon gebruiken om klokken mee gelijk te zetten. Dat deed men nog steeds met behulp van de stand van de zon, welke zich niet bepaald in seconden laat vangen. Klokken en horloges liepen dan ook maar zelden gelijk met elkaar.

Desondanks nam de waardering van mensen voor de aanwezigheid van klokken in hun leven enorm toe. Zozeer zelfs dat klokken een welhaast goddelijke status kregen, vergelijkbaar met een gotische kathedraal. Ze representeerden harmonie, eeuwigheid en matiging.

Deze bloeitijd van de klok, die rond 1700 op zijn hoogtepunt was, staat bekend als de horologische revolutie; een relatief kort tijdperk waarin de mensheid, die millennia lang een matig tijdsbesef had gehad, doorgroeide naar een hyperbewust tijdsbesef. Al was dit in hoge mate nog steeds een stadse en burgerlijke ontwikkeling. Op het platteland gingen de mensen nog steeds met de kippen op stok.

 

Jozef Tominc - Dame met camelia, 1850. Wie dacht dat vroege horloges alleen door mannen in hun vestzak werden gedragen heeft het mis. De manier waarop deze dame haar horloge aan haar jurk heeft hangen kwam veel voor bij vrouwen uit de elite. Het was duidelijk een statussymbool. 

 

Middelbare tijd

Hoeveel klokken en horloges er ook waren, ze deden niets af aan het feit dat de tijd overal anders was. Uurwerken werden ingesteld op wat de lokale ware zonnetijd wordt genoemd. Daarbij wees de klok twaalf uur aan als de zon in het zuiden stond. Deze tijdmeting vertoont echter afwijkingen met zichzelf omdat de baan van de zon niet altijd hetzelfde loopt. De tijd die zou zijn geweest als die afwijkingen er niet waren noemt men middelbare zonnetijd.  Het verschil tussen ware- en middelbare zonnetijd heet tijdvereffening. De tijdvereffening varieert tussen 14 minuten achterlopen op 11 februari en 16½ minuten voorlopen op 3 november.

Om die reden moesten zelfs perfect lopende klokken vrijwel dagelijks bijgesteld worden. Niet handig. Om daar vanaf te raken bedacht men de middelbare tijd. Daarbij wordt een jaar onderverdeeld in een periode van 365 x 24 gelijke uren. Het voordeel daarvan is dat de verschillen elkaar in de loop van het jaar weer compenseren. Rond 1800 werd deze middelbare tijd op steeds meer plaatsen ingevoerd. In Nederland voerden een aantal steden hem bijvoorbeeld in 1830 in, al is een volledig landelijke invoering mislukt.

De middelbare tijd was de eerste stap in de richting van een uniforme tijdmeting.

 

Alphonse Mucha - Tijden van de dag, 1899. Vier vrouwen verbeelden de middag, avond, nacht en ochtend op een Art Nouveau klassieker.

 

Naar een standaardtijd in de 19de eeuw

Na de industriële revolutie kwamen er steeds meer maatschappelijke groepen die een nog exactere tijdmeting beliefden. Ook de middelbare tijd was voor hen niet toereikend, omdat die afhankelijk was van waar op de aardbol een plaats zich bevond. Nu de wereld door nieuwe transport- en communicatiemiddelen steeds kleiner werd, waren al die interregionale tijdsverschillen een groeiend probleem. 

Dat begon voor het eerst te wringen in Engeland, de bakermat van de industriële en transportrevolutie. In de eerste helft van de eeuw kwamen spoorwegen, telegrafiekantoren en de Britse Royal Mail die zijn postkoetsen op een strak tijdsschema wilde laten rijden, verlegen te zitten om een uniforme tijdmeting. Hoe moest men anders een behoorlijke dienstregeling organiseren?

Daarom kozen de Britten in de jaren ’40 de tijd die gold op de meridiaan die recht over de Londense wijk Greenwich (en het daarin gelegen observatorium) liep tot standaardtijd.

Dit werd de Greenwich Mean Time (GMT) genoemd. Op 11 december 1847 maakten de Britse spoorwegen de GMT als eerste effectief, door deze in te voeren voor hun dienstregeling. Nog voor 1855 waren de meeste openbare klokken in het land afgesteld op de GMT.

En zo werd de dienstregeling niet mogelijk gemaakt door het bestaan van een accurate tijdmeting, maar werd een dergelijke tijdmeting geforceerd door de dienstregeling.

 

Vergelijkende tijdstabel uit Dinsmore’s American Railroad and Steam Navigation Guide and Route-Book uit 1857. Toont de officiële tijden in veel Amerikaanse steden in vergelijking met die in Washington DC. Zo'n tabel moesten reizigers, zeker in de VS, gebruiken naast de tabellen van vertrek en aankomsttijden. 

 

1884: Internationale Meridiaanconferentie

Door de eeuw heen groeide de behoefte om de tijdmeting ook internationaal te uniformeren. Daartoe werd in oktober 1884 een belangrijke conferentie georganiseerd in Washington op uitnodiging van de Amerikaanse president Chester Arthur, de zogeheten Internationale Meridiaanconferentie. Er namen 41 afgezanten uit 25 landen deel, waaronder een minister uit Nederland. De Belgische wetenschapper Louis (of Luís) Cruls was ook aanwezig, maar als vertegenwoordiger van Brazilië. Hij was wel een van de drie voorzitters van de conferentie.

Op deze conferentie werd definitief besloten de meridiaan van Greenwich te kiezen als nulmeridiaan. Dit nadat er op het eerste Internationaal Geografisch Congres in Antwerpen in 1871 al op was aangedrongen dat te doen. Zo’n nulmeridiaan is van groot belang voor het kunnen aangeven waar een plaats precies op de aardbol ligt. In de 19de eeuw liep het kiezen van lokale favorieten als nulmeridiaan echter volledig uit de hand. In het begin van de eeuw waren er al tientallen als zodanig aangemerkt, waarbij sommige landen tot wel zes nulmeridianen tegelijk als 'nationale standaard' hadden gekozen. Dat maakte het dringend om tot een internationale standaard te komen.

Daarbij zou die enige echte nulmeridiaan bovendien de basis gaan vormen voor de eerste universele tijdsaanduiding.

 

Afgevaardigden van de Internationale Meridiaanconferentie in 1884. De man met donkere baard en stok rechts voor in het midden is Luís Cruls. 

 

Internationale tijd

Mensen staan hun lokale gewoontes niet graag af, dus ook de lokale tijdsmetingen werden nog lange tijd door velen verdedigd. Het nieuwe openbare vervoer dat in toenemende mate met vaste dienstregelingen werkte, kon echter niet meer zonder een uniforme tijdsrekening die zelfs internationaal van toepassing was. 

De Canadees Sanford Fleming (1827-1915), hoofdingenieur bij de Canadian Pacific Railway, werkte na het congres in Antwerpen in 1871 een werkbaar voorstel uit. Dat kreeg in de jaren die volgden veel internationale steun, waaronder van de Amerikaanse en Britse regering. Daarmee werd hij letterlijk de ingenieur van een nieuwe tijd, want zijn voorstel werd zo goed als aangenomen op de Internationale Meridiaanconferentie.

De Greenwich Mean Time werd daarbij ingevoerd als internationale standaard. Het begin van een nieuwe dag, die 24 uur zou tellen, werd verplaatst van 12.00 naar 0.00 uur. Omdat een meridiaan wordt gedefinieerd aan de hand van de stand van de zon om 12.00 uur, kwam de internationale datumgrens recht tegenover de meridiaan van Greenwich te liggen en liep deze voortaan midden door de Grote Oceaan.

Het verdelen van de aarde in 24 evenwaardige tijdzones zoals wij nu nog steeds hebben, werd op deze conferentie nog niet besloten.

 

John Wycliffe Lowes Forster - Sanford Fleming, 1892.

 

In de praktijk

Het feit dat veel landen met deze tijdrekening akkoord gingen, wilde nog niet zeggen dat ze die ook meteen in eigen land invoerden als standaardtijd. Invoering ging vaak niet vanzelf en verschillende landen bleven aandringen op alternatieven die hen beter uitkwamen. In 1894, tien jaar na de conferentie, beleefde het observatorium in Greenwich zelfs een bomaanslag, al was het uitsluitend de dader die daarbij het leven liet. Tegen het eind van de eeuw waren nog maar een paar landen helemaal overgeschakeld.

Nederland zou in 1909 wettelijk overschakelen op een uniforme tijdrekening, waarbij men voor de zogeheten Amsterdamse Tijd (AT) koos. Dat was de middelbare zonnetijd gemeten op de Westertoren. Deze liep 19½ minuut voor op de GMT. Het waren echter vooral de grotere steden die deze tijdmeting overnamen. In veel kleinere plaatsen had men er geen boodschap aan en bleef men gewoon de eigen tijd hanteren.

Op het continent kwam men tot de Midden-Europese Tijd (MET) ofwel Central European Time (CET) die precies een uur voorloopt op de GMT. Veel landen in Centraal Europa vielen hieronder. Uiteindelijk bleek het praktischer om op het continent ook in landen die er niet of maar gedeeltelijk onder vielen de MET in te voeren. Dat was in eerste instantie een idee van de Duitse bezetters die in 1940 de MET invoerden in Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk. Na de oorlog besloot men dit echter te handhaven. Daar zou Spanje zich in 1946 bij aansluiten.

 

 

De Westertoren in Amsterdam (met klok) op een ansichtkaart uit 1905.

 

Vrije tijd voor iedereen

Was tijd voor jezelf aanvankelijk een voorrecht van de bourgeoisie, dat zou niet zo blijven. In de loop van de 19de en het begin van de 20ste eeuw zou het verschil tussen werktijd en vrije tijd verder uitkristalliseren en langs de sociale ladder omlaag kruipen. Dat had alles te maken met het feit dat zowel de middenklassers als arbeiders zich probeerden op te trekken aan de bourgeoisie en graag wilden dat hun eigen leven meer leek op dat van deze elite. Binnen dat kader zouden de kleine luyden het concept van particuliere gezinstijd tamelijk geruisloos adopteren, maar arbeiders moesten ervoor de barricades op.

Voor hen werd vrije tijd, naast stemrecht, de belangrijkste pijler van hun strijd voor een betere maatschappelijke positie. Dat begon tamelijk concreet met een pleidooi voor het terugbrengen van het hoge aantal werkuren. Tegen het einde van de 19de eeuw, toen het stemrecht in de meeste landen was verkregen, werd een kortere werktijd het belangrijkste punt op de agenda van de arbeidersbeweging. Rond de eeuwwisseling kwam er schot in de zaak, zodat in de twintigste eeuw het idee van vrije tijd ook binnen handbereik kwam van lagere klassen en dus van bijna iedereen. Al stelde dat in eerste nog niet zoveel voor. Werkdagen van 10 of 12 uur kwamen nog veel voor. De tweedeling werktijd/vrije tijd was vanaf nu echter een gegeven.

 

Paul Paeschke - Speelplaats in Friedrichshain, circa 1913. De gevolgen van vrije tijd voor iedereen. 

 

Nieuwe tijden

Met de aanvang van de 20ste eeuw braken daarmee zowel letterlijk als figuurlijk nieuwe tijden aan. De manier waarop mensen tegen tijd aankeken was nu heel anders dan in de hoogtijdagen van de zonnewijzer. Kort op een rijtje gezet waren de volgende veranderingen allemaal uit de kinderschoenen en zouden alleen nog maar op punten worden aangepast of verder uitgebouwd:

  • Standaardtijd. Er was een internationale standaardtijd vastgesteld, waar lokale tijden op werden afgestemd. Daarmee konden klokken en horloges voortaan gelijk worden gezet en dienstregelingen naar behoren werken. Binnen dit kader begon de dag voortaan om 0.00 uur in plaats van om 12.00 's middags.
  • Kleine tijdseenheden. Tijd was niet alleen verder onderverdeeld in kleine eenheden als minuten en seconden, maar er waren ook steeds meer gelegenheden waarbij dergelijke kleine tijdseenheden daadwerkelijk een functie hadden.
  • Lineair. Tijd werd voortaan gezien als een lineair voortschrijdend verschijnsel. In steden was het idee van een cyclische tijd nu geheel verdwenen, maar ook op het platteland zorgden klokken, handelsafspraken en dienstregelingen inmiddels voor een andere perceptie van tijd. Op persoonlijk gebied betekende dit dat mensen tijd gingen koppelen aan de duur van hun leven of van bepaalde gebeurtenissen of evenementen. Hoeveel tijd iets in beslag neemt of 'duurt' werd van groot belang in de dagplanning. 
  • Vrije tijd. Vrije tijd werd voortaan expliciet afgescheiden van tijd voor het uitvoeren van economische en sociale verplichtingen.
  • Quality time. Mensen ervaarden niet meer al hun tijd als hetzelfde. Men ging sommige tijd zien als waardevoller besteed dan andere tijd. Dergelijke tijd verloopt gevoelsmatig sneller dan slecht besteedde tijd. 
  • Geldelijke waarde. Tijd kreeg ook letterlijk waarde toegekend, want tijd werd geld. Daarbinnen is de tijd van belangrijke en machtige personen letterlijk meer waard dan dat van mensen onderaan de sociale ladder.

Al met al zijn dat flink wat veranderingen in de manier waarop mensen tegen tijd aankeken en hoe ze ermee omgingen. In principe was dat dus niet door de industriële revolutie in gang gezet, maar uiteindelijk was de nieuwe perceptie van tijd wel op maat gesneden voor de moderne industriële wereld van na 1900. 

 

Paul Fischer - De laatste trein, 1878-1934. Dit schilderij laat mooi zien hoe de traditionele tijd door een nieuwe is vervangen. 

 

Bronnen

Afbeeldingen

  • Wikimedia Commons (commons.wikimedia.org)