Home » Leven » Sport en spel » Sport Nederland 1846-1900

Sport in Nederland van 1846 tot 1900

Naar gymles en georganiseerde sport in Nederland

In de tweede helft van de 19de eeuw kregen in Nederland de gymnastiekles en de georganiseerde sport langzaam maar zeker vorm. Dat sloot aan op internationale ontwikkelingen. Overal in Europa groeide de waardering voor lichamelijke oefening en kwamen gymnastiek en wedstrijdsport op de agenda te staan. Dit proces volgde wel in ieder land zijn geheel eigen pad. Dat gold ook voor Nederland, zowel wat betreft het populariseren van gymnastieklessen op scholen als het ontstaan van sportclubs. De ontwikkeling begon heel voorzichtig in 1846 maar vanaf 1880 kwam er beduidend meer schot in de zaak. Toen ontstond er definitief een nieuwe wereld van sportclubs, bonden, competities, kampioenschappen.   


Jaap Eden, Nederlands eerste echt grote sportkampioen, 1890-1900. (Ingekleurde foto). Hij werd zowel wereldkampioen schaatsen als wielrennen (op de baan).  

 

Sport tot halverwege de 19de eeuw

Vaak wordt gesteld dat georganiseerde sport nauwelijks bestond voor 1850. Dat mensen wel sportieve activiteiten kenden, maar dat die bijna altijd een vrijblijvend karakter hadden. Ofwel het bestond uit met nadruk amateuristisch gehouden wedstrijden tussen hoge heren ofwel het was door de plaatselijke kroeg georganiseerd vermaak. Dit met uitzondering wellicht van de klassieke Olympische Spelen of de middeleeuwse riddertoernooien.

Officiële wedstrijdsport als zodanig zou pas in de tweede helft van de 19de eeuw zijn ontstaan. Dat idee klopt in veel opzichten, maar blijkt bij nadere beschouwing toch wat kort door de bocht. Voor 1850 werd er wel degelijk meer sport beoefend dan alleen maar wat partijtjes voor de lol op het kerkplein of als chique tijdsvulling voor adellijke heren. De onderstaande evenementen vonden allemaal plaats voor die tijd en hadden in meerdere of mindere mate een officieel karakter.

  • Publieksspelen. Competities en kampioenschappen zoals wij die nu kennen bestonden inderdaad niet, maar door de eeuwen heen zijn er door heel Europa 'Spelen' georganiseerd. De Olympische Spelen zijn daar alleen maar de meest bekende van. De Grieken en Romeinen organiseerden in de oudheid al een keur aan Spelen. Daar kwam veel publiek naar kijken, terwijl de kampioenen fikse prijzen wonnen en beroemde helden werden. In de middeleeuwen lijken dergelijke Spelen niet voor te komen, maar sinds de 17de eeuw duiken ze her en der weer op. Lees hier meer over de geschiedenis van publieksspelen
  • Wedstrijden. Door de hele geschiedenis heen is er uitgevochten wie er het snelste, sterkste of beste was op een bepaald onderdeel. Dat was niet altijd louter voor de gein, maar soms ook voor hele drommen publiek. Dat was bijvoorbeeld het geval bij wagenrennen in de oudheid, hardloop en boogschietwedstrijden, paardenraces en tennisachtige wedstijden (sinds de renaissance) en roei- en zeilregatta's (sinds de 18de eeuw). 
  • Gevechten. Worstel- en gladiatorengevechten in de oudheid, riddertoernooien in de middeleeuwen en schermduels (waarschijnlijk sinds de 14de eeuw), zijn allemaal voorbeelden van sporten waarin voor het oog van een enthousiast publiek werd gevochten om de eer, maar waarschijnlijk ook om een prijs. Zij het in sommige gevallen helaas ook om het behoud van de deelnemers hun leven. 

Lees hier meer over de algemene geschiedenis van sport en spel.

 

Alfredo Tominz - De wagenrennen in het Circus Maximus, 1890. Het Circus Maximus in het oude Rome was een enorm sportstadion waar op het hoogtepunt 150.000 toeschouwers in pasten en misschien wel meer nog. Succesvolle menners werden Romeinse beroemdheden.   

 

Eeuwenlange tegenwerking

Dat alles wilde echter niet zeggen dat sport altijd even populair is gebleven als het bij de Grieken en vroege Romeinen was. Het tegendeel is waar. Dat was in eerste instantie toe te schrijven aan de katholieke kerkvaders uit de 4de en 5de eeuw, die sportieve activiteiten (net als veel andere vormen van vermaak) zagen als het werk van de duivel. Zij keurden het af voor hun geloofsgenoten. Dat vond weerklank bij Constantijn de Grote, de eerste katholieke Romeinse keizer, die vanaf 325 gladiatorengevechten en sportwedstrijden begon te verbieden. Vanaf dan gaat het bergafwaarts met de sportbeoefening

Gedurende en na de middeleeuwen zouden zich meer tegenstanders in dit koor voegen. Protestantse geestelijken waren ook niet enthousiast, overheden zagen dat sportwedstrijden tot veel verstoring van de openbare orde leidde en fabrieksdirecteuren en legerofficieren wilden niet dat hun arbeiders of soldaten energie en tijd verspilden aan spelletjes.

Uiteindelijk zou deze tegenstand in de loop van de 19de eeuw overwonnen worden. Vooral in de tweede helft van de 19de eeuw beleefden bijna alle Europese landen een omslag op dit punt. Lees daar meer over in het artikel over sport en spel na 1850.

 

Jan van 't Woud (Johannes Woudanus) (tekening) en Willem Swanenburgh (ets) - Schermschool in Leiden, 1610.  Sport en gymnastiek vonden veel Nederlanders eeuwenlang niet oké, maar lichaamsoefening die te maken had met (zelf)verdediging was een ander verhaal. Binnen dat kader waren zowel schutterijen als schermscholen al vroeg populair. Uiteindelijk zou de herwaardering voor gymnastiek beginnen in de schermwereld.

 

Sport in Nederland tot 1850

Door heel Europa waren er al sinds de vroege middeleeuwen veel mensen die zich weinig tot niks aantrokken van het verbod op of de afkeer van lichamelijke oefening, sport en spel. Het middeleeuwse leven was kort en er ging erg veel tijd verloren aan werk. Binnen dat kader liet lang niet iedereen zich zijn pleziertjes afnemen.

De laconieke bewoners van de Noordelijke Nederlanden deden dat al zeker niet. Toen er tijdens de Gouden Eeuw bovendien veel welvaart kwam in de toenmalige Republiek en mensen wat meer tijd voor zichzelf kregen werden spelletjes, al dan niet van fysieke aard, juist erg populair. De Zeven Provinciën kwamen aldus vol te liggen met malie- en kegelbanen, men speelde graag voorlopers van tennis en kaatsen en wie had er nu geen kolfstok. Een eeuw of wat later, zo halverwege de 18de eeuw, zou bovendien ook de paardenrenbaan een veel bezochte plek worden.

Lichaamsoefening uit militair oogpunt was er natuurlijk ook, vooral in de hoedanigheid van schutterijen die over het hele land verspreid lagen en lang een belangrijke verantwoordelijkheid droegen als het op de verdediging van de stad aankwam. Ook de schermschool was al vroeg een feit.

En dan was er natuurlijk nog schaatsen. Deed men dat aanvankelijk nog vooral voor het plezier, het meer serieuze hardrijden op de schaats lonkte in Nederland/Friesland al vroeg. De eerste officiële wedstrijden voor mannen zijn niet overgeleverd, maar dateren waarschijnlijk terug tot ergens in de 18de eeuw. De oudste hardrijdwedstrijd voor vrouwen is wel bekend en werd in 1805 gehouden op de gracht in Leeuwarden. Voor het oog van 10.000 toeschouwers won Trijntje Pieters Westra. Dat is zelfs internationaal gezien adembenemend vroeg voor een dameswedstrijd. 

In het begin van de 19de eeuw waren er dus al op zichzelf staande ontwikkelingen in Nederland op het gebied van sport. Dit betekende echter niet dat zo rond 1850 de meeste Nederlanders sport wel prima vonden. De weerzin was ook bij ons ook groot. Leraren wilden geen gymnastiek of sport op school geven, zoals in respectievelijk Duitsland en Engeland al wel gebruikelijk was. En ouders moesten er niet aan denken dat hun kinderen aan zoiets banaals als wedstrijdsport gingen doen. Er was dus nog het nodige werk aan de winkel voor de ware sportpromotor.

 

Aert van Neer - Winterlandschap met schaatser en kolfspelers, 1642. Kolf (een voorloper van sporten als golf en hockey) werd al vroeg ook veel op het ijs gespeeld.

 

Een veranderende kijk op lichaamsoefening in Europa

In de loop van de 19de eeuw veranderde er in Europa veel in de wereld van sport en spel. Door heel Europa stonden er mensen op die anders gingen aankijken tegen lichaamsoefening.

Al tijdens de eerste decennia van de 19de eeuw kwamen er met name in Duitsland en Scandinavië programma's voor gymnastiek voor jongens en soldaten die met wisselend succes werden opgezet en verspreid. Dat bracht een herwaardering voor gymnastiek, expliciet zonder wedstrijdelement.

Ondertussen keerde gedurende de eerste helft van de 19de eeuw in met name Groot-Brittannië het tij voor de wedstrijdsport. Enerzijds werden er steeds meer Spelen en andere officiële wedstrijden georganiseerd, anderzijds werd sportbeoefening populair op de elitaire Britse kostscholen en universiteiten. 

In het algemeen werd lichamelijke oefening steeds meer gezien als een activiteit die goed was voor zowel lichaam als geest. Je kon er uithoudingsvermogen en spierkracht door krijgen, maar ook een sterker karakter. Wel was er aanvankelijk een sterk opvoedkundige en militaire focus gericht op opgroeiende jongens en soldaten. 

De ontwikkelingen vonden door heel Europa plaats en daarmee was het een kwestie van tijd voordat ze ook Nederland, een land dat al bezig was iets van een eigen sporttraditie op te bouwen, zouden bereiken.

Lees hier meer over vernieuwingen in de sport na 1850.

 

Sport in Nederland van 1846 tot 1870

Tussen 1846 en 1870 waren er in Nederland op twee gebieden ontwikkelingen die in belangrijke mate zouden bijdragen aan een omslag in het denken over sport en lichaamsoefening. Dat betrof het promoten van gymnastieklessen op scholen enerzijds en het ontstaan van sportclubs in een kleine groep sporten anderzijds.  

 

Afbeelding van een boogschieter uit: H.A.M. Roelants - Jongensspelen, Schiedam ca 1860-1870. Dit boek promootte verschillende actieve 'spellen' voor jongens. Daar zaten gewone kinderspelletjes bij zoals schommelen, knikkeren, tikkertje en haasje over, maar ook meer sportieve activiteiten als boogschieten, tennissen en kegelen. Ieder plaatje werd vergezeld van een versje. Bij bovenstaand plaatje luidde het vers: 

Wie speelt er meê met pijl en boog?
Dat oefent beide, hand en oog!
Beproef dan of ge in gindsche punt,
Juist met uw pijltje mikken kunt!

 

De eerste gymnastieklessen

De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (het Nut in de volksmond) was binnen Nederland waarschijnlijk de belangrijkste stichting die zich bezighield met de volksopvoeding van lagere sociale klassen. Binnen dat kader begonnen zij in 1846 als eerste organisatie een officieel pleidooi voor gymnastieklessen. Dat was in navolging van de ontwikkelingen in Duitsland en Scandinavië. De voorkeur ging naar deze gymnastiek uit boven andere sport, omdat ook het Nut niet zo gecharmeerd was van wedstrijdelementen.

Aanvankelijk beoogde het Nut vooral een wettelijke regeling te bewerkstelligen die gymnastiek als schoolvak mogelijk maakte. Zij richtten daartoe een pleidooi aan koning Willem II. Die wees het verzoek af, maar toch kan de betreffende brief worden gezien als het prille begin van de denkomslag in Nederland.

Toen het Nut afgewezen bleef worden door overheden, besloten ze in 1849 om dan tenminste gymnastiek te gaan geven op hun eigen particuliere scholen. Tevens richtten ze op zes verschillende plaatsen zogeheten Normaalscholen voor de Gymnastiek op, waar onderwijzers konden leren hoe ze gymles moesten geven.

Hierna begon de schoolgymnastiek aan een zeer voorzichtige opmars in het land. Er bleef veel weerstand bestaan tegen alle vormen van lichaamsoefeningen en dus zeker ook tegen schoolgym, maar langzaam maar zeker zagen toch meer schoolbesturen er de meerwaarde van in.

Uiteindelijk werd 'gymnastie' in 1857 als schoolvak wettelijk toegestaan (maar dus nog niet verplicht) op openbare lagere scholen. Hierdoor groeide na 1857 het aantal scholen met gymnastiekonderwijs snel, al bleef de meerderheid nog lange tijd stug weigeren.

In 1862 werd niettemin de Vereeniging van onderwijzers in de gymnastiek in Nederland (vaak 'de Nederlandsche' of 'de Vereeniging' genoemd) opgericht. Deze had al snel succes toen in 1863 gymnastiek bij een herziening van de Wet op het Middelbaar Onderwijs door Thorbecke zelf (toen minister van onderwijs) als verplicht vak werd aangemerkt. Hiermee was de Vereeniging nog lang niet uit de zorgen, maar in feite was het pleit nu gewonnen en was de rest een kwestie van tijd.

 

Buitengymnasium voor kinderen halverwege de 19de eeuw.(Maker en en jaartal onbekend). De op de afbeeldingen zichtbare toestellen en oefeningen waren gebruikelijk in de 19de eeuw (ook voor volwassenen). Al zullen niet alle kinderen er zo bedreven in zijn geweest als de hier afgebeelde topturners. Dat dit een promotieafbeelding voor gymnastiek is, blijkt ook uit de kennelijk niet zo goed getrainde boerenknechten op de achtergrond die vijf man nodig hebben om een handkar een lage heuvel op te trekken (wat ze in werkelijkheid waarschijnlijk wel alleen of met zijn tweeën afkonden ). 

 

De eerste Nederlandse sportclubs

Rond dezelfde tijd dat het Nut in beweging kwam voor gymnastiekles op scholen, ontstonden de eerste sportverenigingen in Nederland. Dat beperkte zich tot een klein sporten, maar het idee van een sportclub had evengoed post gevat.

Helaas is het niet zeker welke sportclub er nu werkelijk de oudste van Nederland was. Tenslotte ontbrak het lange tijd aan een duidelijke administratie op dit gebied, niet in de laatste plaats omdat er nog geen bonden waren. Vooral van clubs die maar een paar bestonden, is er doorgaans weinig bekend. Van de volgende sporten is echter zeker dat ze er vroeg bij waren:

  • Roeien en zeilen. Op 16 december 1847 werd in Amsterdam de Koninklijke Nederlandse Zeil- en Roeivereniging opgericht. Dit is sowieso de oudste watersportvereniging in Nederland, maar is vooralsnog ook de oudst bekende sportverenging überhaupt. Aangezien in Angelsaksische landen halverwege de 19de eeuw al veel roei- en zeilverenigingen bestonden die officiële wedstrijden organiseerden, met name ook voor studenten, is het niet vreemd dat dit voorbeeld in Nederland werd gevolgd.  
  • Schaatsen. In 1849 werd in Deventer de ijsclub Daventria opgericht als waarschijnlijk de eerste schaatsvereniging in Nederland. Er zouden al snel vele ijsverenigingen volgen. De bedoeling was dat deze clubs zouden zorgen voor ijsbanen waar men in de winter wedstrijden op kon rijden. 
  • Boogschieten. In de loop van de 19de eeuw ontwikkelden sommige handboogschutterijen zich van een inmiddels wat symbolisch apparaat voor de verdediging van de stad tot handboogverenigingen met een sportief oogmerk. Zo'n geleidelijke ontwikkeling valt moeilijk op een datum vast te pinnen. Wel is bekend dat de kersverse koning Willem III, zelf een fanatiek boogschieter, in 1849 een grote wedstrijd uitschreef voor de beste handboogschutterijen van het land. Daarmee kan dit jaartal als een keerpunt worden gezien, want hierna ontstond de behoefte boogschietwedstrijden wat structureler te gaan organiseren. Iets waar de koning ook geld in heeft gestopt.
  • Schaken. Schaken gaat als bordspel ver terug, zeker tot diep in de middeleeuwen. Daarmee liep ook deze denksport voor de troepen uit: de oudste schaakclub van Nederland, Discendo Discimius uit Den Haag, werd in december 1852 geregistreerd. Ook hier deed een goed voorbeeld al snel goed volgen door andere clubs.

 

Thomas Eakins - De broers Biglin in een race, 1872. Terwijl veel andere sporten rond 1870 nog in de kinderschoenen stonden, was het roeien al ver ontwikkeld. Wedstrijdboten zoals afgebeeld op dit schilderij waren al volop gangbaar.

 

  • Kaatsen. Ook de middeleeuwse kaatssport kreeg halverwege de eeuw voor het eerst georganiseerd vorm, zij het op een wat ongebruikelijke manier. Hier werd in 1853 de zogeheten Permanente Commissie (PC) opgericht, een organisatie die ergens tussen een club en een bond in zweeft. De bedoeling was om meer officiële wedstrijden te organiseren zonder dat kasteleins (en dronken toeschouwers) daar iets mee te maken hadden. Curieus genoeg was dit juist omdat het kaatsen bezig was aan populariteit te verliezen en niet omdat het in de lift zat. In 1854 werd de eerste wedstrijd, ook bekend als PC, in Friesland georganiseerd. Dat is tegenwoordig nog steeds de belangrijkste Nederlandse kaatswedstrijd van het jaar.      
  • Kegelen. Kegelen dateert al spel waarschijnlijk al terug tot de Egyptenaren. In de 18de en 19de eeuw werd het echter ook recreatief gespeeld op zogeheten sociëteiten. Dat waren groepen welgestelde mannen die meer activiteiten ontplooiden, zoals bijvoorbeeld liefdadigheidsacties of culturele vormen van vermaak als toneel en zang. In 1861 werd in Maastricht echter De 50 keigelers officieel als kegelvereniging opgericht. Hoewel ook deze club zich nog veel bekommerde om kunst en cultuur was het organiseren van kegelwedstrijden toch de belangrijkste doelstelling. Daarmee telt dit als oudste kegelvereniging van Nederland. Hierna volgden meer clubs, maar waar, wanneer en in welke mate is niet helemaal duidelijk door het vage verschil met de sociëteiten. 
  • Turnen. De gymlessen op scholen sloegen aan bij een gedeelte van de jeugd en zorgden ervoor dat turnen een geliefde vrijetijdsbesteding werd. Aldus kwamen er turn- en gymnastiekverenigingen. Dat begon in 1863 met de Koninklijke Turnvereniging (KTV) Olympia in Amsterdam. Verantwoordelijk daarvoor waren een aantal Amsterdamse onderwijzers die de schoolgym niet afdoende vonden. Hierna volgden meer verenigingen. Rond de eeuwwisseling telde de turnbond zo'n 3.000 leden. Het woord gymnastiek werd aanvankelijk nogal breed opgevat. Zo kon je op de meeste clubs ook schermen (vanaf het begin nauw verbonden met het turnen). Ook atletiek viel een tijdlang onder de gymnastische noemer, al moest een vereniging daar wel faciliteiten voor hebben. Op de KVT was alleen schermen als tweede sport mogelijk.

 

Johann Hamza - Op de kegelbaan, rond 1900. In Duitsland en Oostenrijk was kegelen enorm populair en ontstonden al veel eerder kegelclubs dan in Nederland. In 1786 beschreef de Berlijnse arts en wetenschapper J.G. Krünitz bovendien als eerste 13 regels voor het kegelspel (al zijn de meeste daarvan inmiddels weer veranderd). De 18de eeuwse kleding op deze afbeelding suggereert dat Hamza (een Weense genreschilder) hier een historische afbeelding heeft gemaakt.  

 

Wielersport in het buitenland rond 1870  

De wielersport heeft lang te maken gehad met verkopers die belang hadden bij de promotie van de fiets als artikel. Dat was in Engeland al zo sinds ongeveer 1820 toen de loopfiets daar populair werd als sportartikel. Verkopers richten rijscholen op waar men de hobby horse kon leren besturen. Wedstrijdjes met de loopfiets, ook bekend als draisine, konden toen niet uitblijven, al hadden ze geen officieel karakter.

Op 31 mei 1868 vond in het park St. Cloud nabij Parijs de eerste officiële wielerwedstrijd plaats over een rondje van 1200 meter. Dat was niet op de draisine, maar op de vélocipède, de eerste fiets met trappers. Deze was een jaar eerder uitgevonden in, jawel, Parijs.

Rond 1870 ontstonden vervolgens de eerste fietsclubs. Als oudste ter wereld telt de Eimsbüttler Velozipeden-Reit-Club uit de buurt van Hamburg, die bekend zou worden als Altonaer Bicycle Club. Deze werd in april 1869 opgericht. De oudst bekende Britse wielervereniging, de Pickwick Bicycle Club uit Hackney Downs, opende in juni 1870 zijn deuren.

Hierna volgden rijwielclubs over de hele wereld, al moet worden gezegd dat vele daarvan maar een kort leven waren beschoren. Dat maakt het moeilijk om een goed beeld te krijgen van hoeveel verenigingen er nu precies op waar en wanneer waren. 

 

Milton Bradley & Co. - Affiche voor het Bicycle Camp-Exhibition & Tournament van de Springfield Bicycle Club in Massachusetts, 1883.

 

Immer Weiter: fietsclubs in Nederland

Nederland sloot aan op de internationale fietsmarkt nadat de vélocipède was uitgevonden. In 1868 werd de Eerste rijwielschool van Nederland geopend door fietsimporteur H.H. Timmer te Amsterdam.

Hierna duurde het niet lang of de Nederlandse fietsindustrie volgde in dat spoor. Smid Henricus Burger uit Deventer bouwde in 1868, naar verluid op advies van Timmer, zijn eerste vélocipède. Dat leidde een jaar later al tot de oprichting van de Eerste Nederlandsche Fabriek van Vélocipèden die het fietsmerk Burgers op de markt bracht.

Vervolgens richtten in oktober 1871 vijf leerlingen van de lokale HBS dDeventer Vélocipède Club Immer Weiter op. Deze ging onder andere hardrijwedstrijden organiseren. De meeste leden zaten op dezelfde HBS als de oprichters en alle leden reden, vanzelfsprekend, op een Burgers.

Toch lijkt Immer Weiter niet de eerste fietsclub van Nederland te zijn geweest. Er is ook sprake van een Rotterdamsche Vélocipède-club, die conform advertenties in lokale kranten al in 1869 moet hebben bestaan (wat zelfs zou kunnen betekenen dat het de oudste fietsclub ter wereld was). Helaas is van deze vereniging verder niets bekend.

Immer Weiter daarentegen heeft een niet te missen imprint achtergelaten op de Nederlandse fiets- en vermoedelijk gehele sportwereld. Na hun succes werden er al snel meer wielerverenigingen opgericht en die hebben waarschijnlijk mede model gestaan voor latere veldsportverenigingen.

Hoe dan ook was Nederland er internationaal gezien vroeg bij als het op rijwielverenigingen aankwam. De oudste Amerikaanse vereniging uit Boston stamt uit 1878 en de Royal Antwerp Bicycle Club uit 1882.

Immer Weiter organiseerde onderlinge wedstrijden, maar ging soms ook de strijd aan met buitenstaanders. Naast races waarin op parcoursen van honderd tot tweehonderd meter werd gesprint, werden er ook wedstrijden en demonstraties georganiseerd waarbij behendigheid op de monsterlijke fietsmachine die vélocipède toch was, belangrijker was dan snelheid maken. 

 

 De Deventer Vélocipède-club Immer Weiter kort na de oprichting in1871.

 

Veldsport op Engelse scholen

Halverwege de 19de eeuw werd het houden van sportwedstrijden populair op Engelse kostscholen, vooral op de befaamde public schools zoals Eton en Rugby, waar jongens uit de elite hun middelbare schooltijd volbrachten. Dat betrof in eerste instantie rugby, cricket en atletiek maar later kwam daar voetbal en tennis bij. De voorliefde voor deze (veld)sporten had de volgende redenen:

  • De public schools kregen steeds meer leerlingen uit de gegoede burgerij, waardoor het karakter van de scholen verburgerlijkte. Aloude tradities kwamen daardoor onder druk te staan en een wind of change  blies door de gangen.
  • Sport bleek een goed middel om zowel discipline als een goede sfeer te handhaven op een kostschool.
  • Het Britse Rijk was groter dan ooit waardoor veel Britten uitgezonden werden naar andere gebiedsdelen. Eigenschappen als uithoudingsvermogen, moed en een ferm karakter zou de toekomstige ambtenaar of officier in den vreemde goed van pas komen. Deze eigenschappen konden op het grasveld gekweekt en onderhouden worden, zo bleek.
  • De public schools werden omringd door grote lappen gras en waren er dus de juiste locatie voor.

De Britten waren ervan overtuigd dat sport het karakter en de persoonlijkheid van een jonge man hielp versterken. Daarbij vond men het wedstrijdelement juist van groot belang, zij het wel bij voorkeur in een of ander teamverband. Zo leerden jongens om samen met anderen een tegenstander te verslaan.

Enthousiasme over de nieuwe sporten beperkte zich begrijpelijkerwijs niet tot de docenten en andere begeleiders op deze scholen. De leerlingen zelf konden zich alleen maar gelukkig prijzen dat lekker ravotten op de grasvelden nu de bedoeling was in plaats van verboden.

 

Voetbal op de school van Rugby, rond 1850, maker onbekend (cropped). Het ziet er nog niet helemaal uit als ons voetbal.

 

Engelse sport naar een Nederlandse kostschool

Ook in Nederland lijkt veldsport zich voor het eerst te hebben gemanifesteerd op een luxe kostschool. Dat betrof het zogeheten Instituut Noorthey, dat was opgericht in 1820 en gevestigd in de plaats Veur, die wij tegenwoordig kennen als Leidschendam. Het was een zeer gerenommeerd instituut in Nederland, tot aan de oprichting van de HBS in 1864. Daarna ging het bergafwaarts. In 1888 verhuisde de school naar Voorschoten waar hij in 1907 werd opgeheven.

Ondanks een (doorgaans niet zo vooruitstrevende) protestants-christelijke signatuur, was dit instituut tot de jaren '60 van de 19de eeuw zijn tijd ver vooruit. In 1830 had iedere leerling er bijvoorbeeld de zorg voor een eigen stukje tuin. Ook sport werd er al vroeg hooglijk gewaardeerd. Rond 1850 kwamen er lessen schermen en gymnastiek, waarmee Noorthey gelijk opging met de gymnastieklessen van het Nut. 

Een andere vooruitstrevende maatregel was dat men voor de lessen in vreemde talen native speakers als docenten inhuurde. Zo kwamen er dus Britse docenten op de school voor het geven van lessen Engels. De gevolgen daarvan laten zich gemakkelijk raden: cricket (1845) en voetbal werden in Nederland geïntroduceerd. Tenslotte had ook Noorthey geen tekort aan grasveld.

 

P.J. Lutgers & I.D.Steuerwald - Buitenplaats Noortheij, gelegen in Veur (Leidschendam), gezien uit het noordoosten, 1855. Vooruitstrevend of niet, op deze prent lopen verschillende leerlingen rond met een ouderwetse kolfstok. 

 

Engelse sport verspreidt zich verder in Nederland

In 1865 werd in Enschede een voetbalwedstrijd gespeeld tussen een team van Engelse textielarbeiders en een team met leden van de Britse delegatie uit Den Haag. Deze telt als de oudste (openbare) voetbalwedstrijd van Nederland. De Britse invloed blijft echter duidelijk en dat zou nog even niet veranderen.

Verdere promotie van veldsporten gebeurde grotendeels via de zonen van Engelse immigranten of via Nederlandse jongens die in Engeland waren opgegroeid. Deze jongens waren, niet geheel verrassend, afkomstig uit de hogere sociale klassen en hadden vaak ervaring met sport opgedaan op een van de Britse kostscholen.

In hun ogen was sport een prestigieuze zaak waarmee ze zich konden onderscheiden van jongens uit de lagere klassen. Dat onderscheid draaide niet om het bedrijven van sport op zich, maar om de manier waarop je dat deed oftewel het tonen van de sportiviteit. Sportiviteit was een belangrijke eigenschap die sportbeoefenaars dienden te ontwikkelen en die werd omschreven als 'overwinningsdrang en een competitieve instelling, met waardigheid bij verlies en hoffelijkheid bij winst'.

De Britse invloed bij de opkomst van moderne sport in Nederland blijkt ook uit de vele Engelstalige sporttermen die wie nu nog steeds gebruiken. Dat begint al met het woord sport zelf. De benamingen van veel overgenomen sporten als rugby, cricket en tennis zijn eveneens Engels. Ook voetbal werd aanvankelijk het toen gangbare association football genoemd. Tenslotte waren en zijn veel termen binnen de sporten Engels (game, set, matchpoint, penalty, volley, corner, goal) en ook aanduidingen als fair play en unfair zijn er al vanaf het begin bij.

 

Henry Jamyn Brooks - Afbeelding van een cricketwedstijd op Rugby School, waarschijnlijk tussen 1860 en 1900.  

 

Veldsportverenigingen naar Brits model

Ondanks de ontwikkelingen op Noorthey werd sport volgens Engels model in Nederland niet geadopteerd door middelbare scholen. Integendeel, de weerstand ertegen bleef lang onverminderd groot. De meeste scholen en ouders moesten er niets van hebben en bleven het een onfatsoenlijk tijdverdrijf vinden.

Daarop raakten veel jongens die cricket wilden gaan spelen of (later) voetbal in conflict met hun ouders en/of leraren. Ze gaven de strijd echter niet zomaar op en richtten hun eigen club op, eventueel met behulp van een enkele Engels onderlegde ouder die er wel iets in zag.

Het gevolg was dat haast alle vroege veldsportclubs in Nederland zijn opgericht door tieners van zo'n 14 tot 16 jaar oud en dat ze vaak meer Britse dan Nederlandse leden hadden. Logischerwijs waren de gekozen sporten dezelfde als die welke op de Engelse kostscholen werden gespeeld: cricket, atletiek, voetbal en tennis. Alleen rugby ging beduidend minder hard in Nederland.

Dat de sportclub uiteindelijk voet aan de grond kreeg, had niettemin toch te maken met de uitbreiding van het middelbaar onderwijs.

 

Afbeelding van een voetbalwedstrijd uit 1887. De lange broeken waren standaard. De doelen hadden nog geen net en de bovenlat was niet van hout, maar van beweegbaar materiaal. Afkomstig uit: Athletics and football, uitgegeven door Shearman, Montague, London, 1887.

 

De rol van het middelbaar onderwijs

In de laatste decennia van de 19de eeuw nam het middelbaar onderwijs in Nederland een grote vlucht. Dat uitte zich in de oprichting van allerlei nieuwe schooltypen als de MULO (1857), HBS (1863), de MMS (1867) . Dit onderwijs werd afgestemd op kinderen van de gegoede burgerij en de middenstand, de twee sociale klassen die hun bestaan grotendeels dankten aan de industrialisatie en alles dat eruit was voortgekomen.

Tot dan toe was middelbaar onderwijs voor deze groep slechts beperkt geweest. Er was eigenlijk alleen de zogeheten Franse school, een tweejarige middelbare opleiding. De Latijnse school ofwel het gymnasium was alleen toegankelijk voor jongens uit de maatschappelijke dan wel culturele elite. De nieuwe schooltypen hadden nog steeds minder allure dan het gymnasium, maar hadden een beduidend uitgebreider leerprogramma dan de Franse school en waren breed toegankelijk.

Uiteindelijk werden op deze scholen vaak de contacten gelegd die tot de oprichting van een nieuwe sportclub leidde, precies zoals dat in 1871 ook met Immer Weiter was gelopen op de HBS in Deventer.

 

De oudste veldsportclubs van Nederland

Hoewel Nederland in 1875 dus al redelijk wat sportverenigingen kende, zijn het toch de uit Engeland overgewaaide veldsporten geweest die het pleit voor de sport definitief hebben beslecht en de moderne georganiseerde sport vorm hebben gegeven.

Bijna alle oudste veldsportclubs in Nederland speelden overigens cricket voordat ze ook aan voetbal gingen doen. Dat ze voetbal erbij gingen doen had te maken met het feit dat cricket om wat meer zomerse omstandigheden vraagt dan voetbal. Door beide sporten te combineren konden de leden ook in de koudere maanden aan sport doen. 

De oudste veldsportvereniging van Nederland waren:

  1. De Koninklijke UD uit Deventer (voluit Koninklijke Deventer Cricket en Football Club Utile Dulci), Utile Duci in de volksmond. Deze zag op 13 oktober 1875 het levenslicht. Aanvankelijk werd er dus alleen cricket gespeeld. Voetbal kwam er pas in 1894 bij door een fusie met een voetbalclub. Kan het toeval zijn dat deze eerste veldsportclub vier jaar na Immer Weiter ontstond in dezelfde stad? Dat lijkt ondenkbaar.
  2. De Koninklijke H.C. & V.V. Den Haag (Koninklijke Haagse Cricket & Voetbal Vereeniging) bestaat officieel sinds 1 september 1878. Ook dit was in de basis een cricketvereniging waar in 1883 voetbal bijkwam.
  3. De Koninklijke HFC Haarlem, opgericht op 15 september 1879. Lang ging het verhaal dat deze club door een nog piepjonge Pim Mulier, later 's lands meest enthousiaste sportpromotor, was opgericht als eerste expliciete voetbalclub. Daar zijn echter twijfels over gerezen. Mulier was mogelijk niet betrokken bij de oprichting en de eerste vermelding van het spelen van voetbal door HFC stamt uit 1883. Wel zeker is dat deze vereniging niet met cricket maar met rugby is begonnen. Vier jaar later stapte men over op het populairdere voetbal. Rugby raakte hierna in Nederland in de vergetelheid om pas na 1910 een comeback te maken.

  

Het stadion van de HFC Haarlem in 1907. (Kleur foto aangepast)

 

De oudste sportbonden

Hoeveel clubs er ook zijn, zonder een sportbond om competities en toernooien te organiseren, regels te uniformeren en als centraal contactorgaan te fungeren, komt georganiseerde sportbeoefening niet volwaardig van de grond. Uiteindelijk waren het ook op dit punt Engelse sportbonden die als voorbeeld dienden voor de Nederlandse.

De oudste sportbonden van Nederland zijn:

  • De Vereeniging van onderwijzers in de gymnastiek in Nederland uit 1863. Deze al eerder genoemde organisatie was in feite de eerste sportbond van Nederland en groeide uit tot het latere, niet meer speciaal op onderwijzers gerichte  Nederlandsch Gymnastiek Verbond
  • De oudste sportbond die geen directe band had met het onderwijs is verrassend genoeg de Koninklijke Nederlandse Schaakbond (KNSB) die op 23 mei 1873 als Nederlandschen Schaakbond is opgericht.
  • Een aantal ijsclubs kwam in 1882 tot de oprichting van de Koninklijke Nederlandsche Schaatsenrijders Bond (KNSB).
  • In 1883 werd de Nederlandschen Studentenroeibond (N.S.R.B.) opgericht voor het organiseren van de Varsity; een roeiwedstrijd tussen verschillende studentenroeiverenigingen.
  • Ook in 1883 kwamen leden van de Haagse en de Haarlemse Vélocipèdeclubs tot de oprichting van de Nederlandsche Vélocipèdisten Bond, die wij beter zouden gaan kennen als ANWB.
  • Tenslotte zag in 1883 toch ook de Koninklijke Nederlandse Cricket Bond (KNCB) het levenslicht. Een jaar later waren er al 18 clubs lid van de bond, wat wel aangeeft hoe snel het is gegaan met het oprichten van veldsportverenigingen na die eerste twee uit 1875 en 1878.

De voorloper van de KNVB, de Nederlandsche Voetbal en Athletiek Bond (NVAB) werd in 1889 opgericht.

 

Isaac Israëls - De schaakspelers, 1875-1922. 

 

De introductie van nieuwe sporten na 1880

Rond 1880 bestonden er dus feitelijk twee typen georganiseerde sporten in Nederland:

  • Sporten die al langere tijd recreatief in Nederland werden beoefend maar na 1850 stappen hadden gezet richting georganiseerde sport.
  • Sporten die waren overgewaaid vanuit Engeland.

Daar kwam gedurende de laatste decennia van de eeuw een derde type bij, namelijk de expliciet geïntroduceerde sport. Nu het tij bezig was te keren, was de interesse meer vormen van sport in Nederland mogelijk te maken groot. Daarom probeerden invloedrijke personen disciplines die in het buitenland hun aandacht hadden getrokken ook in Nederland op de kaart te zetten.  

Sporten of disciplines die na 1880 nieuw waren in Nederland zijn onder andere:

  • Lawntennis. Hoewel voorlopers van het ons bekende tennis zeer ver teruggaan in de geschiedenis en ook in de lage landen werd beoefend, is het hedendaagse lawntennis pas rond 1873/1874 als zodanig bedacht in Engeland. Hierna ontstonden ook daar pas de eerste tennisclubs. In Nederland werden vervolgens in 1885 in Rotterdam en Haarlem de eerste tennisclubs opgericht. 
  • Waterpolo en zwemmen. Waterpolo is pas in het laatste kwart van de 19de eeuw ontwikkeld, maar verspreidde zich vervolgens razendsnel door Europa. In 1886 ontstond in Leiden de eerste waterpolo- en zwemclub van Nederland, LZ 1886. Wie waterpolo bij ons heeft geïntroduceerd is niet duidelijk.
  • Bandy en veldhockey. Bandy was hockey op ijs en werd al sinds de 17de eeuw in Engeland gespeeld. Het was een voorloper van zowel veld- als ijshockey, maar werd rond 1900 nog volop gespeeld. Pim Mulier haalde beide sporten in 1890/91 naar Nederland. 

 

Tennisbanen in het Franklin Park te Boston rond 1900 (ingekleurde foto op ansichtkaart). 

 

Toernooien, competities en nationale kampioenschappen

De meeste sportbonden waren opgericht om wedstrijden tussen clubs te organiseren. Dat leidde tot het ontstaan van de eerste officiële competities en toernooien tussen clubs onderling. Die waren ook mogelijk geworden door de ontwikkelingen binnen het openbaar vervoer. Zonder treinen en trams hadden deelnemers immers geen vervoer gehad naar de andere club in geval van een uitwedstrijd. Na 1880 ging dat een stuk beter, al bleef sport ook hierdoor vooral beschikbaar voor jongens met wat meer zakgeld dan een ander.

De meeste bonden begonnen hun bestaan met het organiseren van een toernooi. Zo debuteerde de cricketbond in augustus 1884 op een sporthistorisch gezien uitmuntende plek voor een eerste toernooi, namelijk het Malieveld in Den Haag.

Welke competities de oudste zijn van Nederland is niet duidelijk. De voorloper van de eredivisie, de zogeheten kampioenscompetitie, werd echter al in 1888 voor het eerst gehouden. Opmerkelijk, aangezien de NAVB pas een jaar later werd opgericht. Wel deden er maar zeven clubs mee. Dat leverde de eerste tien jaar slechts een officieuze landskampioen op. Nog net voor de eeuwwisseling, in het seizoen 1898/1899 werd voetbalclub RAP uit Amsterdam de eerste officiële landskampioen.

Over het begin van nationale kampioenschappen is eveneens maar weinig bekend. In ieder geval was er vanaf 1888 een Nederlands kampioenschap wielrennen op de weg. Het is onduidelijk sinds wanneer er kampioenschappen op de baan zijn gereden. Nederland was in ieder geval niet slecht op de fiets. Nog voor 1900 hadden we met Jaap Eden, Mathieu Cordang en Harrie (Harie) Meijers al drie professionele baanwielrenners die internationale wedstrijden wonnen en records vestigden. 

 

Links: Mathieu Cordang in 1895. Rechts: Harrie Meijers rond 1900. Beide heren kwamen uit Limburg.

 

Definitieve omslag van de waardering voor sport in Nederland

Lange tijd bleef er in ons land nog veel weerstand bestaan tegen de Britse sport, ondanks het feit dat het een liefhebberij was voor de burgerlijke elite. De opvoedkundige kwaliteiten die de Engelsen er al lang in zagen, werden hier niet zomaar erkend.

Veel weerzin was er bijvoorbeeld ook nog in 1896 tegen de eerste Olympische Spelen in Athene, die werden gezien als een vorm van hoogheidswaanzin. Er werden dan ook geen Nederlandse atleten afgevaardigd.  

Met zoveel activiteit in een groeiende verzameling sporten en een gestage uitbreiding van het aantal scholen dat gymles gaf, kon een denkomslag echter niet uitblijven.

Rond de eeuwwisseling was het zover. Steeds meer pedagogen en psychologen erkenden de opvoedkundige waarde van lichaamsoefening en sport en de aversie nam zienderogen af.

Ondertussen was ook het gymnastiekonderwijs zelf toe aan een vernieuwingsslag en nam veldsporten als voetbal en rugby op in het programma. Als gevolg daarvan vond in 1905 het eerste voetbaltoernooi voor scholieren plaats. Ook vanuit het leger werd een toenadering tussen gymnastiek en wedstijdsport op touw gezet. Dat had veel te maken met het feit dat in 1901 de dienstplicht werd ingevoerd. Dat maakte de redenen waarom de Britten de teamsport al een halve eeuw eerder hadden omarmd voor de Nederlandse legerleiding opeens dringend.

De Olympische Spelen van Parijs in 1900 waren een wat ondergeschoven kindje op de Wereldtentoonstelling waar ze onderdeel van uitmaakten en daarmee een vage bedoening. Desondanks is het symbolisch voor de denkomslag in Nederland dat er nog redelijk wat atleten op de trein naar de Franse hoofdstad zijn gestapt om mee te doen, waar dat vier jaar eerder nog ondenkbaar was.

In een tijd dat er nog geen medailles werden uitgereikt keerden er sporters in het roeien, schieten, wielrennen, zeilen en zwemmen huiswaarts met ereplaatsen. Een lijst die de meer hedendaagse Nederlandse volger van de Olympische Spelen bepaald niet vreemd voor zal komen. Hoe groot de Britse invloed ook is geweest, sommige disciplines wortelen toch diep in de Nederlandse sporttraditie.

 

Roeiers François Brandt en Roelof Klein wonnen op de Olympische Spelen van 1900 in Parijs de twee met stuurman. Daarmee werden ze de eerste Nederlandse olympische kampioenen uit de geschiedenis. Typerend voor de Zomerspelen van dat jaar is dat de heren zelf dachten dat ze wereldkampioen waren geworden. Tussen hen in staat een onbekend Frans jongetje dat als stuurman fungeerde nadat de eigenlijke stuurman te zwaar was bevonden. Als gevolg hiervan is deze overwinning lange tijd door het IOC aangemerkt als behorend bij een internationaal gemengd team (waarvan er in 1900 veel waren). Uiteindelijk is dat echter toch weer veranderd en werd hij voor de boeken alsnog aan Nederland toegewezen.  

 

 

Bronnen

Afbeeldingen

  • Foto's  Immer Weiter en Mathieu Cordang: Wikimedia / G.J.M. Hogenkamp - 'Een halve eeuw wielersport', 1916.
  • Overigen: Wikimedia Commons ( commons.wikimedia.org)