Volksopvoeding in Nederland: arbeid

Ontplooiing van het individu door werk vanaf 1870

In Nederland was er in de loop van de negentiende eeuw veel te doen over armenzorg. De bourgeoisie zag de arme bevolking in dat kader als een groep die in zijn geheel moest worden heropgevoed. Daarbij geloofde men heilig in de beschavende werking die het verrichten van arbeid zou hebben op het werkschuwe volk. In de werkinrichtingen werden de armen dan ook met veel tucht gedwongen simpele werkzaamheden te verrichten. Toen er rond 1870 meer betaald werk beschikbaar kwam, vond er echter een mentaliteitsomslag plaats. Men bleef geloven in de heilzame werking van arbeid, maar dan veeleer op een individueel niveau waarbij sprake was van zelfontplooiing en de mogelijkheid door te groeien. Arbeid werd daarmee een van de belangrijkste, zo niet het belangrijkste, onderdeel van het Nederlandse beschavingsoffensief.


 

Max Liebermann - De conservenmaaksters, 1871. Rond 1870 had de stoommachine al veel industrialisatie tot gevolg gehad. Toch moest er nog erg veel werk met de hand gedaan worden, zodat de vraag naar arbeiders erg groot was en ook vrouwen volop meedraaiden in allerlei fabrieken en werkplaatsen.

 

Armenzorg tot 1870: het armoedevraagstuk

Omdat de industrialisatie bij ons pas laat op gang kwam, was er in Nederland gedurende de negentiende eeuw sprake van een grote werkeloosheid. Als gevolg daarvan kende ons land bijna de gehele eeuw een schrijnende armoede. Men noemde dat 'het armoedevraagstuk'.

Om de allerergste verpaupering tegen te gaan, werd er veel gedaan aan armoedezorg, zowel door de staat als door particulieren. Armenzorg betekende overigens letterlijk 'zorgen voor de armen' via de zogeheten bedeling en niet het bestrijden van armoede. Het was dus een vorm van liefdadigheid, al zal menige arme er niet zo blij en warm van zijn geworden.

In het van een rigide liberalisme doortrokken Nederland werd huizenhoog neergekeken op deze 'paupers'. Armoede werd gezien als een zedelijk probleem dat werd veroorzaakt door een luie mentaliteit bij de slachtoffers zelf, doorgaans aangeduid als ledigheid. De liberale elite geloofde niet dat de werkloosheid werd veroorzaakt door gebrek aan banen, maar door de werkschuwe aanleg van de werkloze. De arme was onzedelijk en onbeschaafd.

Dat alles zou echter veranderen als de arme via een heropvoeding zou leren dat werken goed voor hem was. Dat hij op die manier in zijn eigen onderhoud kon voorzien en meer eigenwaarde en vervulling zou vinden in het leven. Dat, zo meende men, had de pauper nog niet afdoende begrepen, wat de basis was voor zijn gebrek aan beschaving.

 

Frans van Leemputten - Brooduitdeling in het dorp, 1892.

 

Maatregelen

De manier waarop men de arme medemens tot een andere instelling wilde brengen valt het beste te omschrijven als hardhandig tucht. Er kwamen inrichtingen voor werkverschaffing, de alom gevreesde werkinrichtingen, in de steden en bedelaars- en strafkoloniën in de Drentse plaatsjes Ommerschans en Veenhuizen. In deze instellingen werden armen door middel van tucht en orde op 'het rechte pad' gebracht. Een tijdlang werd iedereen die ook maar enigszins in aanmerking kwam naar een werkinrichting gestuurd, want men was ervan overtuigd dat er anders nooit iets zou veranderen.

Naast de werkverschaffing werden er bovendien andere maatregelen genomen. Zo kwamen er strenge wetten tegen armoede, bedelarij en landloperij. Daardoor kon een arm persoon moeiteloos vervallen tot 'misdaad', waarmee zijn slechte aard maar weer bewezen was.

Al deze opvattingen en maatregelen waren in overeenstemming met de leer van de tegenwoordig beruchte, maar halverwege de 19de eeuw bijzonder populaire Britse econoom Thomas Malthus (1766-1834).

In feite had de werkverschaffing meer te maken met het handhaven van de openbare orde dan met het heropvoeden van kansloze mensen. Er moest bovenal worden voorkomen dat brave burgers door het gepeupel werden lastiggevallen.

Het systeem werkte echter totaal niet. Mensen werden er juist slechter van en kregen te maken met nieuwe problemen als zeer lage lonen, gedwongen spaarregelingen en geestdodende werkzaamheden.

 

Erik Henningsen - Sat ud (Uitgezet), 1892. Uit je huis worden gezet was het begin van het einde. Geen wonder dat de man op de achtergrond zijn zaak nog probeert te bepleiten bij de agent.

 

De omslag: werkgelegenheid

Vanaf 1870 neemt tenslotte ook in Nederland de industrialisatie een vlucht, waardoor de werkgelegenheid sterk groeit. Het ledige volk blijkt dan opeens toch niet zo werkschuw en gaat vervaard aan de slag in de nieuwe fabrieken. Omdat de lonen nog steeds te laag zijn om van rond te komen, moet wel het hele gezin aan de bak.

Het aantal personen in de werkverschaffing daalt tussen 1870 en 1875 van 8.200 naar 5.200 en dat terwijl de bevolking ondertussen harder groeit dan ooit tevoren.

Onder invloed van deze ontwikkelingen verandert de sociale structuur van Nederland. Aan de top groeien ondernemers en andere bourgeoisie steeds meer uit tot een aparte klasse. Aan de onderkant maken arbeiders zich los van de echt arme en behoeftige onderlaag.

Dit alles leidt tot een geheel andere kijk op de oorzaken van armoede en hoe om te gaan met slechtbedeelden. Men denkt niet langer dat armoede het gevolg is van een gebrek aan mentaliteit en beschaving.  Werkloosheid als gevolg van een gebrek aan banen heeft er wel degelijk alles mee te maken en dient daarom bestreden te worden.

Daarmee wordt 'het armoedevraagstuk' voortaan 'de sociale quaestie' ofwel de sociale kwestie, en de werkloze wordt iemand zonder werk in plaats van iemand zonder beschaving.

 

Charles Frederick Ulrich - De glasblazers, 1883.

 

Armenzorg vanaf 1870: de sociale kwestie

Door alle ontwikkelingen verandert ook de kijk op de armenzorg. Het liefdadige gedeelte daarvan dient voortaan ten goede te komen aan diegenen die echt behoeftig zijn. Dat betreft met name mensen die door fysieke of organisatorische redenen niet of nauwelijks kunnen werken, zoals invaliden en zieken, bejaarden, wezen en alleenstaande moeders.

Anderen worden voortaan geacht hun eigen kostje te verdienen. In dat kader wordt in 1870 ook de armenwet verder aangepast. Armen die kunnen werken komen niet meer in aanmerking voor bedeling of werkverschaffing.

 

Thérèse Schwartze - Drie weesmeisjes uit het Amsterdamse burgerweeshuis, 1885. De kleding die de meisjes dragen was een soort uniform voor weesmeisjes. Amsterdamse weesmeisjes van rond 1900 worden haast altijd lezend, naaiend of voor zich uitstarend afgebeeld. Dat lijkt symbool te staan voor een deugdzame opvoeding bestaande uit educatie, werk en reflectie.

 

Nieuwe opvattingen over arbeid

Ondertussen gaat men anders aankijken tegen betaald werk. Men beschouwt het niet langer als iets dat de arme werknemer voor zichzelf en zijn gezin moet doen om in ieders levensonderhoud te voorzien. Er wordt nu ook een algemeen maatschappelijk belang aan arbeid toegekend. Het kan worden aangewend om de hele natie in welvaart te doen groeien. In liberale kringen gaat arbeid daardoor meer tellen als economische dan als morele waarde.

Tevens wordt het duidelijk dat mensen meer motivatie hebben om te gaan werken en beter presteren als ze ook iets van persoonlijke vervulling in dat werk vinden. Mede daarom moeten werkzaamheden voortaan afgestemd worden op de individuele werknemer en moet die leren welke talenten hij heeft en hoe hij die zo goed mogelijk kan benutten.

In relatie tot al deze nieuwe opvattingen werd er ook op scholen steeds meer aandacht besteed aan opvoeding tot arbeidzaamheid. Kinderen kregen geleerd hoe ze een vruchtbaar bestaan konden opbouwen door hard te werken.

Binnen de werkinrichtingen wordt deze denkomslag echter minder snel gemaakt. Daar blijft men nog een tijdlang vasthouden aan de gebruikelijke programma's van heropvoeding door werkverschaffing. Toch zal uiteindelijk ook hier het roer omgaan. Tenslotte kregen deze instellingen steeds minder armen om voor te zorgen en bleven ze in toenemende mate achter met mensen die echt geen baan op zich konden nemen, zoals invaliden en bejaarden. Om die mensen te blijven tuchtigen als onwillig en lui volk zou echt te ver gaan.

 

Charles Frederick Ulrich - Letterzetter bij Enschede in Haarlem, 1884. Tegenwoordig zou het gezien worden als onacceptabele kinderarbeid, maar in 1884 telde deze jongen als gezegend met een goede baan.

 

Nieuwe opvattingen over individualiteit

Tijdens de laatste decennia van de 19de eeuw ging men de pauper aldus steeds meer zien als een individu. Voorheen bekeek men de arme onderlaag vooral als groep, als het gepeupel. Mensen die hiertoe behoorden hadden dezelfde problemen die voortkwamen uit dezelfde oorzaken. Tegen de eeuwwisseling was men echter bereid te erkennen dat de omstandigheden wel degelijk per persoon konden verschillen en dat problemen op een individueel niveau moesten worden bekeken en opgelost.

Ook krijgt men oog voor het feit dat niet ieder soort werk geschikt is voor iedere arme. Dat iedereen, dus ook de werkgever, beter af is als er wordt gezocht naar voor de persoon in kwestie passend werk. 

Ideeën over hoe volksverheffing het beste kan plaatsvinden veranderen hierdoor dus flink. De focus verschuift helemaal van groepsopvoeding door tucht naar het begeleiden van individuen.

 

Nieuwe opvattingen over inkomen

Vervolgens veranderde ook de kijk op het vergaren van inkomen drastisch. Voorheen heerste de calvinistische overtuiging dat de plaats die men innam op de sociale ladder door God bepaald was. Het was daarmee de religieuze opdracht aan de onderklasse om hard te werken voor (zeer) weinig beloning ten gunste van diegene die op basis van geboorte door God waren uitverkoren om hoog op de ladder te staan. Vandaar ook dat een dubbeltje nooit een kwartje kon worden.

Bezien in het licht van arbeid als economische waarde was deze opvatting echter niet meer houdbaar. Arbeid werd nu een middel waarmee een hardwerkend individu door eigen inspanning rijkdom kon vergaren en zich omhoog kon werken op de maatschappelijke ladder. God bleek dat proces overigens totaal niet in de weg te staan.

 

Max Liebermann - Vlasschuur in Laren, 1887. Niet alleen in fabrieken nam de werkgelegenheid toe.

 

Daar stond wel tegenover dat de werknemer meer verantwoordelijkheid kreeg te dragen ten aanzien van de eigen situatie. Er kwamen nieuwe kansen, maar die moest hij dan wel zelf benutten. Sterker nog, in relatie tot het feit dat persoonlijke welvaart bijdroeg aan de nationale welvaart, had het individu zelfs een soort van morele verplichting aan de natie om er het beste van te maken.

Tenslotte kwam er ook meer aandacht voor de bevredigende werking die uitgaat van het zelf verdienen van eerlijk geld. Iemand die hard werkt ziet dat terug in zijn inkomen, wat een bevestiging is van het feit dat zijn moeite is gewaardeerd. Daarmee wordt het verdienen van geld expliciet onderdeel van de verheffende werking van arbeid. 

 

 

Bronnen

  • Ploeg van der R., Zinkstok R. - 'Wij zijn allen werklieden. De opkomst van de moderne arbeidsmoraal in Nederland in de negentiende eeuw.' Baarn 1986

Afbeeldingen

  • Wikimedia Commons  (commons.wikimedia.org)