Geschiedenis van de petroleumlamp

Voor het eerst ruim licht in huis

In 1860 verscheen de petroleumlamp op de markt, wat alles te maken had met de ontdekking van petroleum, een aardolieproduct, als brandstof kort daarvoor. De geschiedenis van de petroleumlamp gaat dan ook gelijk op met de vroegste geschiedenis van aardoliewinning. In ieder geval werd de lamp na introductie al snel in veel huishoudens populair. Hij was schoner en werkte beter dan olielampen en was goedkoper en walmde minder dan gaslampen. Mensen die geen gasaansluiting hadden of gas niet konden betalen, hadden dankzij de petroleumlamp voor het eerst groot licht in huis. Het was wel oppassen geblazen met deze lamp, want petroleum was een explosief goedje en de instellingen van de lamp kwamen nogal precies. Men wist de lamp echter aan de brandstof aan te passen en leerde er zo goed mogelijk mee omgaan.


Karl Müller - Lezende jonge vrouw bij het licht van een petroleumlamp, datum onbekend, maar grofweg rond 1900.

 

Wat is petroleum

Eigenlijk heet datgene dat wij kennen als petroleum kerosine. Het is een destillaat van aardolie, een zogeheten aardoliefractie, en heeft een kookpunt tussen ongeveer 150° en 290° Celsius. Dat is net wat hoger dan benzine.

Petroleum is van oorsprong eigenlijk het woord voor ruwe olie ofwel aardolie in de hoedanigheid waarin het in de natuur wordt aangetroffen. Als zodanig is aardolie echter niet als brandstof te gebruiken, het moet eerst worden bewerkt.

In het Nederlands is het woord petroleum uiteindelijk toch synoniem geworden met het bewerkte product. Dit dus in plaats van het woord kerosine, dat wij uitsluitend nog gebruiken om de meest zuivere vorm van petroleum mee aan te duiden (en dat bijvoorbeeld wordt gebruikt als vliegtuigbrandstof). Dat wil zeggen dat je kerosine kunt gebruiken in de plaats van petroleum, maar andersom niet.

Handig om te weten is daarom wel dat in het Engels die termen anders zijn. Daar noemt men ons petroleum wel degelijk (ook) kerosene, en wordt het woord petroleum nog steeds gebruikt voor ruwe aardolie (waar het Engelse woord petrol voor benzine uit voorkomt).

 

Waarom is petroleum de betere lampolie

Petroleum is een vluchtige, lichte stof die gemakkelijk opstijgt. Daardoor verloopt de aanvoer van vloeistof naar de brander van de lamp beter dan bij andere olie, die veelal dik en traag is. Bovendien brandt het ook gewoon beter.

Dat komt doordat aardolie zogeheten minerale olie is, terwijl de plantaardige of dierlijke oliën die men verder gebruikte niet-mineraal zijn, wat duidt op een belangrijk verschil in samenstelling. De chemische samenstelling van minerale olie is niet specifiek vastgelegd, maar het heeft een hoger aantal zogeheten alkanen dan dierlijke en plantaardige oliën. Alkanen zijn zeer brandbare koolwaterstoffen die gemakkelijk reageren met zuurstof.

 

 

Jules Chéret - Affiche voor Saxoléine 'veiligheidspetroleum' (Pétrole de Sûreté), 1895.

 

Voorgeschiedenis petroleum en kerosine

De oudst teruggevonden methode om petroleum uit aardolie te destilleren dateert al uit de 9de eeuw en staat op naam van de Perzische wetenschapper Rasis (ook bekend als al-Razi of Rhazes). Hij noemde dit witte nafta.  Sinds ongeveer dezelfde tijd werden petroleumachtige destillaten ook wel betrokken uit aardoliegesteente (bitumen of schalie). De olie werd dan uit het gesteente gehaald door dit te koken en werd vervolgens gedestilleerd.

Vanaf 1700 en misschien al eerder kende men ook zogeheten steenkoololie dat een bijproduct was van het maken van koolgas en koolteer.

Bij gebruik van al deze olievormen als brandstof werd er echter zoveel rook geproduceerd dat het niet binnenshuis gebruikt kon worden.

 

Uitvinding petroleum

Daarom ging men halverwege de 19de eeuw op zoek naar een vorm van petroleum die je wel kon gebruiken zonder gasmasker te hoeven opzetten. De uitvinding van de petroleumlamp (en later ook de petroleumkachel en het petroleum kookstel) was daarom het gevolg van de uitvinding van petroleum zelf als geschikte brandstof.

 

 

Aartsvaders van de olie-industrie: v.l.n.r. Al-Razi (herkomst en datum afbeelding onduidelijk), Abraham Pineo Gesner (1870), James Young (1906) en George Henry Bissell (tussen 1860 en 1869).

 

In 1846 werd de eerste grote stap daartoe gezet toen een geschikt destillatieproces werd uitgevonden door de Canadese geoloog Abraham Pineo Gesner (1797-1864). Bij experimenten met koolteer (van zichzelf een nutteloos, plakkerig residu dat overblijft als je steenkool in gas verandert) ontdekte hij een manier om een heldere, dunne vloeistof uit het koolteer te destilleren. Het bleek ideale brandstof voor lampen die prachtig brandde met een sterk en gestaag licht. Hij noemde het kerosine (door hem ook in het Engels met een i geschreven), een afgeleide van het Griekse woord keroselaion, dat 'wasolie' betekent.

Gesner kreeg pas in 1854 een patent waarmee hij als fabrikant aan de slag kon. Helaas voor hem wist hij geen manier te vinden om zijn product op grote schaal te produceren. Daardoor bleef het nogal dure brandstof, waarmee hij geen groot zakelijk succes zou boeken.

Iets meer succes had de Schotse chemicus James Young (1811- 1883). Hij kwam met een ander procedé tot een brandstof die hij paraffineolie noemde, omdat het bij lage temperaturen op paraffinewas leek. In 1850 (dus eerder dan Gesner) kreeg hij een patent op zijn vinding. Daarmee begon hij in 1851 de eerste significante oliefabriek uit de geschiedenis in Bathgate, Schotland. Een jaar later vertrok hij naar de VS om daar zijn geluk redelijk succesvol te proberen. Maar ook voor deze olie was massaproductie geen haalbare optie.   

 

 

Jules Chéret -  Nog een Affiche voor Saxoléine, maar uit 1894.

 

Naar aardolie boren

Degene die uiteindelijk wél een ontdekking deed die de wereld voorgoed zou veranderen heette George Henry Bissell (1821-1884). Hij was onderwijzer, onderwijsinspecteur, journalist, taalkundige en later ook advocaat. Niet meteen een scheikundig genie dus. In 1853 hoorde hij niettemin over aardolie die in Pennsylvania naar de oppervlakte sijpelde, maar alleen nog werd gebruikt bij het fabriceren van bepaalde medicijnen. Hij ging er kijken, deed een paar experimenten en besefte dat aardolie een uitstekende brandstof voor lampen kon zijn, maar dat er dan wel een manier moest komen om het op grote schaal te winnen.

Het idee dat hij daarvoor had was naar de olie te boren, zoals ook waterbronnen wel werden aangeboord, in plaats van ernaar te graven. Hij kocht een mijnconcessie in Pennsylvania en huurde mensen in om het boorproces op poten te zetten. Hoofd daarvan werd ene Edwin L. Drake, een voormalig treinconducteur. Niet meteen een technisch genie dus. En inderdaad, anderhalf jaar lang mislukte het aanboren van olie. Toch bleek Drake veel beter in het oplossen van allerlei mechanische problemen dan verwacht en in Augustus 1859 boorde hij op een diepte van zo’n 20 meter alsnog olie aan. Op het nippertje, want Bissell was wegens geldgebrek al bezig de onderneming te staken.

In zijn natuurlijke staat was aardolie echter een vreselijke smurrie. Daarom ging Bissell zelf aan de slag om er een zuiverder product uit te destilleren. Hij vond een gezuiverde vorm van aardolie die prima als smeermiddel bleek te werken. Het destillatieproces daarvan gaf ruime hoeveelheden gasoline en kerosine als bijproduct. Alleen kerosine was daarvan geschikt voor gebruik in  lampen, maar het werd zo een stuk goedkoper gewonnen dan die van Gesner of Young. Vanaf nu kon het op grote schaal geproduceerd worden.

 

Bewerkte foto van Edwin Drake (l.) en George Bissell (r.) in 1859 bij de zogeheten Drake Well in Titusville Pennsylvania, de eerste boortoren ooit. De afbeelding is uit 1890.  

 

Uitvinding van de petroleumlamp

De uitvinding van de petroleumlamp zelf is geen verhaal van grootse baanbrekende ontdekkingen. Op zich is deze lamp niets anders dan een Argand olielamp die is aangepast op het nieuwe type brandstof. Louter een verbetering van een reeds bestaande lamp dus, al hebben honderden uitvinders er patent op aangevraagd. Toch is er iemand die zich hierbij wat meer in de kijker heeft gespeeld dan anderen en dat verrassend genoeg al voor de ontdekkingen van Bissell.

Ignacy Łukasiewicz (1822-1882) was een Poolse apotheker die samen met zijn partner Jan Zeh (of Zech) experimenteerde met destillatiemethoden om Gesners procedé te verbeteren. Dat deden ze vooral met behulp van oliebronnen die aan de oppervlakte kwamen. Dat bracht hun in 1852 een aantal patenten voor gedestilleerde olieproducten. In 1854 openden ze een aardoliewinningsinstallatie in Bóbrka. In 1856 volgde een destillatiefabriek, de eerste echte olieraffinaderij in Ulaszowice. Łukasiewicz zou zich nog meer oliebronnen toe-eigenen en meer raffinaderijen opzetten en was daarmee feitelijk de eerste echte allround oliebaron uit de geschiedenis. Hij werd er ook navenant rijk door.

 

 

Andrzej Gabrowski - Ignacy Łukasiewicz, 1884. (Postuum schilderij). 

 

Er zou echter maar weinig vraag zijn naar kerosine zolang dat niet als lampbrandstof kon worden gebruikt. En dus hield Łukasiewicz zich ook bezig met het ontwerpen van petroleumlampen. Al had hij daar nog een motivatie voor: naar verluid hadden medewerkers van het ziekenhuis in zijn toenmalige woonplaats Lvov zich tot hem gewend, omdat ze niet genoeg licht hadden bij het uitvoeren van operaties. Een serieuze zaak waar binnen de geschiedenis van de verlichting verrassend weinig aandacht aan wordt besteed. In ieder geval wist Łukasiewicz het ziekenhuis van betere lampen te voorzien.

Zijn eerste wapenfeit op het gebied van petroleumlampen was echter een werkende straatlantaarn die hij al in 1854 bouwde in het Gorlice's Zawodzie district. Omdat dit de eerste bekende werkende petroleumlamp is wordt Łukasiewicz door velen toch als uitvinder van de petroleumlamp gezien, ondanks het contingent aan concurrenten.

 

Louis Figuier  - Petroleumlampen, 1870. Uit: Louis Figuier - Les Merveilles de la science, 1867 - 1891, Vol. 4.

 

De Argand olielamp: de basis voor petroleumlampen

Rond 1783 ontwikkelde de Zwitserse scheikundige Aimé Argand de Argandbrander voor gebruik in lampen. Deze bestond uit een plat stukje geweven katoen (de lampenkous of gewoon kous) dat hij tussen twee koperen buisjes in een cilinder plaatste. Dit wordt ook wel een holle pit genoemd. De cilinder vergrote de doorstroom van lucht, wat de capillaire werking (de mate waarin de pit de olie opzuigt) extra ten goede komt. 

Deze brander vormde de basis voor de Argandlamp, die ook een trekglas kreeg dat over de vlam werd gezet. Door het trekglas werd de lucht vastgehouden en bij een vernauwing samengeperst, waardoor de zuurstof nog beter tot de vlam kon doordringen. Verder werd de lamp in de meeste gevallen voorzien van een lampenkap en met een tandwieltje kon men de pit omhoog of omlaag draaien om de lichtsterkte aan te passen.

Het voordeel van een holle pit in combinatie met een daarop aangepaste lamp is dat de zuurstof in het binnenste van de vlam wordt gebracht in plaats van deze alleen aan de buitenkant te raken. Hoewel de Argandlamp vrij veel brandstof gebruikte in vergelijking met andere branders en pitten, werd hij de standaard onder olielampen en de eerste moderne lamp in de geschiedenis van het kunstlicht.

Lees hier meer over de geschiedenis van de Argand olielamp.  

 

Marguerite Gérard - Lezende dame in een interieur, 1795-1800. De lamp is een typische Argand studeerlamp. 

 

Waarom men de Argandlamp moest aanpassen

Waarom was het eigenlijk dat je petroleum niet in een reeds bestaande Argand olielamp kon stoppen in plaats van andere olie? Dat kwam omdat het gebruik van petroleum als lampolie nadelen heeft en wel de volgende:

  • Petroleum produceert bij veel lagere temperaturen dan andere olie brandbare gassen. Hierdoor kunnen ontploffingen ontstaan in de houder.
  • Het gebruik van platte stukken katoen in combinatie met petroleum leidt eveneens gemakkelijk tot explosies of brand.
  • Petroleum heeft meer toevoer van zuurstof nodig dan andere olie om zijn maximale lichtcapaciteit te benutten.

Om deze problemen op te vangen waren dus aangepaste lampen nodig. Daarbij hadden de ontwerpers wel een gelukje, want de extra luchttoevoer die men nodig had om meer zuurstof aan te voeren, kon tevens worden gebruikt om de brander af te koelen. Toch mocht ook dat niet verhelpen dat bij pogingen tot een nieuwe lamp te komen, menige ontploffing heeft plaatsgevonden, met soms zeer vervelende consequenties voor de ontwerper in kwestie.

Niettemin waren er in 1860 al speciale petroleumlampen beschikbaar. Deze maakten wel gebruik van dezelfde principes als Argandlampen.

 

Christian Krohg - Moe, 1885. Een volledig aangepaste petroleumlamp.

 

De petroleumbrander

Het moge duidelijk zijn dat met name de brander aangepast moest worden op het gebruik van het vluchtige en licht ontvlambare petroleum. De belangrijkste verandering in dit kader was dat de afstand tussen de brandstofhouder en de brander werd vergroot. Zo raakte het reservoir zelf minder verhit, wat uiteraard flink scheelde qua explosiegevaar. Dankzij de vluchtigheid van petroleum was die grotere afstand ook mogelijk.

Daarnaast werd de pit verbeterd. Deze werd in het brandstofreservoir omgeven door een huls van fijn gaas of dun metaal, wat het explosiegevaar nog verder verminderde.

Bij eenvoudige lampen werd vervolgens een platte, trommelachtige brander op het reservoir gezet. Deze was dikker dan die van oude olielampen en er zaten luchtgaten in die voor extra zuurstof en verkoeling zorgden.

Bij grotere lampen werd een luchtkastje tussen het reservoir en de brander aangebracht, waarin een van gaatjes voorziene pithuls door de brander heen naar boven liep. Boven het vlamgedeelte zat bovendien een extra geperforeerd schijfje. Omdat dit gedeelte het sterkst werd verwarmd, trok het schijfje een extra luchtstroom aan die de vlam deed oplaaien.

 

Cristóbal Rojas - Stilleven met lamp, 1887. De brander met daaronder een extra luchtkastje is goed zichtbaar.

 

Soorten branders

Uiteindelijk kwamen er verschillende branders voor petroleumlampen, eventueel met aanpassingen in de rest van de lamp daarop. Deze soorten zijn:

 

Vlakbrander

De vlakbrander heeft nog steeds een vlakke lampenkous. Bij zo’n kous is de hoeveelheid licht afhankelijk van de breedte van de vlam boven de lont en wordt dat licht ongelijkmatig rond de lamp verdeeld. Bij deze branders hoort een peervormig trekglas, ook bekend als een wiener glas. Het voordeel van deze branders op andere was dat ze een stuk goedkoper waren, ook in het gebruik van brandstof. 

 

Kosmosbrander

De kosmosbrander heeft een rond gevouwen kous, waardoor het licht veel gelijkmatiger wordt verspreid. Het lampenglas bij deze brander had een relatief lange en dunne schoorsteen voor het extra aantrekken van lucht. Dat deed deze lampen met veel licht en weinig reuk en rook branden. Bovenop de kosmosbrander plaatste men een kosmos- of kneepglas: een recht glas met een vernauwing (kneep) ter hoogte van de vlam.

Deze brander met bijbehorende lamp is waarschijnlijk uitgevonden door de Fransman M. Boital in 1865.

 

 

Louis Figuier - Lamp van Boital. Uit: Louis Figuier - Les Merveilles de la science, 1867 - 1891, Vol. 4.

 

Central-draft branders 

Central-draft branders hebben eveneens een rond gevouwen kous, maar deze wordt omgeven door twee concentrische buizen (een buis in een buis), waarbij door de binnenste buis extra lucht wordt aangevoerd. Deze branders hebben ook een zogeheten vlamverspreider boven de lont, die zorgt voor een gelijkmatige verbranding en een vlamvorm die veel licht geeft. Ook hier gebruikte men een vrij hoog lampenglas. Voorbeelden van central-draft branders zijn de idealbrander en de matadorbrander. Deze branders gaan vergezeld van een matador- of buikglas dat een bolvormige verdikking heeft ter hoogte van de vlam. Uiteindelijk zouden de meeste petroleumlampen een central-draft brander krijgen.

 

Henrik Pap - 1878 (Huzaren in Bosnië), 1893. Te midden van een dramatische scène hangt een grote petroleumlamp met central-draft brander en matadorglas. 

 

Branders met gloeikousje

Na het op de markt komen van het gloeikousje rond 1896 kwamen er ook petroleumlampen met een gloeikousje dat door de vlam van de lont werd verhit. Dat gaf extra veel licht en gaf tegelijkertijd een minder vette roetaanslag. Een voorbeeld van een dergelijke lamp is de zogeheten Aladdin lamp (wat een merknaam was).

 

Verschillen herkennen tussen olie- en petroleumlampen

De verschillen tussen petroleumlampen en grotere typen olielampen met een dubbel reservoir zijn op het oog soms moeilijk te zien. Daarbij helpt het niet dat petroleumlampen vaak ook olielampen worden genoemd. Veel mensen zijn geneigd te denken dat het om synoniemen gaat, maar dat is dus niet het geval. Het is ook beslist niet de bedoeling om olie in een petroleumlamp te branden en het omgekeerde is ronduit gevaarlijk.

Het belangrijkste uiterlijke verschil is toch de extra afstand die petroleumlampen hebben tussen de brandstofhouder en de brander. Daarnaast hebben petroleumlampen geen systemen om de brandstof mee rond te pompen, want door de vluchtige natuur van petroleum is dat niet nodig. Heeft een lamp twee reservoirs en een systeem dat de brandstof tussen beide rondpompt, is het zeker een olielamp. 

  

Johan Christopher Schlichtkrull - Interieur met twee vrouwen in de gloed van petroleumlampen, 1904. Onmiskenbaar een staande en een hangende petroleumlamp.

 

Nadelen petroleumlamp in het dagelijks gebruik

Om mooi licht te krijgen kwam de afstelling van een petroleumlamp en hoe deze was gemaakt erg precies. Dat gold voor andere olielampen ook, maar nu gold het nog meer. De vorm en behandeling van het trekglas, de verzorging en kwaliteit van de pit en de kwaliteit van het materiaal van de lamp en de kap bepaalden allemaal mee of er een mooi, helder licht scheen of dat de lamp een zwak schijnsel produceerde, ging walmen of stinken, teveel brandstof gebruikte of zelfs ontplofte.

Het materiaal waarvan de lamp was gemaakt diende stevig te zijn, want een simpel deukje kon de juiste toevoer van brandstof en zuurstof al verstoren. Dat veel mensen de ideale situatie niet wisten te bereiken blijkt uit het feit dat petroleum ook bekend stond als stinkolie.

Verder was de petroleumlamp zeer brandgevaarlijk. Het per ongeluk omstoten van een brandende lamp leidde vrijwel zeker tot een vuurzee. Tenslotte kwamen vuur en petroleum (praktisch benzine immers) dan samen met de doorgaans bijzonder stofrijke inrichting van de 19de-eeuwse burgerwoning. Wat dat betreft waren er weinig lichtbronnen ooit zo gevaarlijk als deze. Alleen met toortsen en fakkels, die openlijk vuur rond sproeiden, moest je nog meer uitkijken.

 

James Tissot - Verstoppertje, 1880-82. Luxe petroleumlamp in stofrijke inrichting. Gelukkig is de lamp niet aan terwijl de kinderen er spelen.

 

Petroleum aanschaffen

Het aanschaffen van petroleum was minder makkelijk dan die van patent- of koolzaadolie, de brandstof die men in olielampen gebruikte. Petroleum zat in een vaatje dat je bij de drogist of bij het zogenaamde petroleummannetje kon kopen. Een petroleummannetje was een kleine maar zelfstandige ondernemer die met een kar vol vaten langs de huizen trok. Je kon dan een nieuw vaatje kopen of je oude vat laten bijvullen. Behalve voor verlichting gebruikten mensen de brandstof ook voor petroleumkachels en -fornuizen.

Het transport van petroleum was te duur om het naar iedere uithoek op het platteland te laten plaatsvinden. Daarom bleven sommige streken er geheel of gedeeltelijk van verstoken. In Nederland was vooral het transport naar Zeeland een probleem, waardoor de mensen daar vaak geen petroleumlampen hadden.

 

Petroleumleveranciers in Texas in 1915. Op de ene kar staan grote vaten om uit bij te vullen, op de andere kleinere vaatjes voor de verkoop. 

 

Soorten petroleumlampen voor in huis

Afgezien van de reeds vermelde verschillen leek de rest van de petroleumlamp veel op de Argandlamp. Grotendeels had hij immers dezelfde onderdelen: een brander, een brandstofreservoir, een trekglas, een lampenkap en een tandwiel voor het verstellen van de lichtsterkte en het uitdoen van de lamp.

Huiselijke petroleumlampen bestonden in de onderstaande uitvoeringen.

  • Klein formaat petroleumlampje. Dit was doorgaans het al eerder ter sprake gekomen eenvoudige lampje met vlakbrander. Deze lampjes bestonden alleen uit een reservoir waar op enige afstand een brandertje was geschroefd met een trekglas dat met haakjes vast was gemaakt aan het onderstuk. Meestal hadden ze geen kap. Ze werden vooral gebruikt als verlichting van bijvoorbeeld een slaapkamer, gang of schuur of als bijverlichting naast grotere lampen. Ze waren niet alleen maar goedkoper vanwege de simpele uitvoering, maar ook omdat ze minder brandstof verbruikten.

 

 

Louis Figuier - Basale petroleumlamp. Uit: Louis Figuier - Les Merveilles de la science, 1867 - 1891, Vol.4.

 

  • Staande lampDeze kwam in verschillende maten en had wel een kap. Op studeerlampen zaten doorgaans piramidevormige kapjes van donker gekleurd glas of staal, die het licht in een geconcentreerde baan naar beneden leiden. Tafellampen hadden matglazen of stoffen kappen, eventueel in de vorm van een bol, die het licht breder deden uitstralen in de ruimte.  

 

Anna Ancher - Jonge vrouw voor een brandende lamp, 1887. Petroleumlamp met een glazen bol als kap.

 

  • Hangende lamp. Petroleumlampen waren feitelijk de eerste betaalbare vorm van huiskamerverlichting die genoeg licht gaf om als hanglamp te kunnen fungeren, bijvoorbeeld boven de eettafel. Dat was met olielampen nooit echt van de grond gekomen omdat de hangende exemplaren daarvan gecompliceerd en dus duur waren. Met sommige petroleumbranders kon je echter al een vrij simpele hanglamp maken. Om deze lampen op te hangen, had men op twee of meer plaatsen kettingen bevestigd. Deze waren verstelbaar zodat men de hoogte zelf kon bepalen en eventueel veranderen. Deze lampen hadden meestal een ruime kap, omdat het de bedoeling was dat het licht zowel goed als ruim naar beneden te leiden.

 

Heinrich Ebel - Soireé, 1895. Met een hoofdrol voor een petroleumlamp die aan zijn kettingen hangt.

 

Lampenkappen 

Kappen voor petroleumlampen waren van allerlei soorten materiaal gemaakt. Melk- of matglas had echter de voorkeur, zeker voor de bollen, want dat geeft mooi zacht licht. Feitelijk is dat met moderne elektrische lampen nog steeds zo.

 

Brandstofreservoirs

Ook de reservoirs werden gemaakt van verschillende materialen, zoals metaal, aardewerk, porselein of glas. Zoals eerder gezegd moesten de reservoirs tegen een stootje kunnen, omdat deuken toch weer explosiegevaar kunnen veroorzaken of minstens zwak licht.

Handig was het om een doorzichtige, dus glazen houder te hebben. In tegenstelling tot andere olielampen kon de petroleumlamp alleen worden bijgevuld als de lamp nog niet was aangestoken, want anders kon men alsnog de lamp in kleine stukjes in het gezicht krijgen. Daarom was het prettig op voorhand te kunnen zien hoeveel petroleum er nog in het reservoir zat.

 

Anoniem - Jonge dame bij het schrijven van een brief, laat 19de eeuw. Het sierlijke petroleumlampje op de schrijftafel heeft een stoffen kapje en een glazen reservoir. Het lijkt sterk op een lampje van Boital. 

 

Een lamp voor in huis en kleine werkplaatsen

De petroleumlamp gaf meer licht dan oudere typen olielampen of kaarsen maar te weinig om als serieuze verlichting te dienen in grotere ruimtes als zalen en hallen. Daarvoor gebruikte men gaslampen of de kaars van Jablochkoff (een sterke, op elektriciteit werkende booglamp). Hoewel petroleumlampen in aangepaste vorm wel een aantal bestemmingen buitenshuis zou vinden, waren ze primair te vinden in woonkamers en in kleine werkplaatsen.

Zelfs daar moet men zich echter ook niet teveel voorstellen van het licht dat de lamp gaf. Dit was, zoals eerder vermeld, een beetje afhankelijk van de kunde van de gebruiker, maar ook een expert zag zijn huiskamer niet meteen baadden in licht. Of in ieder geval niet zoals wij dat nu gewend zijn. Mensen moesten in de buurt van de lamp blijven om er plezier van te hebben. Ook de hangende variant verlichtte niet de hele omgeving. Hij moest recht boven de plek waar men het licht nodig had hangen of je had er niet veel meer aan

Wat niet wegneemt dat veel mensen erg blij waren met hun petroleumlamp. Op de volgende fronten ging hun lichtvoorziening er toch op vooruit:

  • Eettafels werden voortaan veel beter verlicht, waardoor mensen bepaalde activiteiten, zoals een boek lezen of een brief schrijven, nu veel vaker aan hun eettafel deden dan voorheen.
  • Studeerlampjes brachten veel meer direct licht aan bureaus en werktafels om bij te werken dan oudere lampen, hoewel dat met Argandlampen ook al was verbeterd.
  • Er waren beduidend minder kaarsen en/of andere lampen nodig om 's avonds zitkamers mee te verlichten.

 

Cristóbal Rojas - Borduren bij het lamplicht, 1889. 

 

Een burgerlijke lamp

Als huislamp zou de petroleumlamp nooit echt een luxe variant kennen vervaardigd van de meest kostbare materialen. Dit in tegenstelling tot oudere typen olielampen en bijvoorbeeld kandelaren, die naast uitermate simpele uitvoeringen ook in bijzonder weelderige en kunstzinnige exemplaren bestonden.

De petroleumlamp kreeg echter teveel concurrentie van gaslampen en na ongeveer 1880 ook van elektrische lichtbronnen. Die waren populairder bij de elite. Het enige dat petroleumverlichting binnenshuis namelijk voorhad op deze alternatieven was de prijs. Als je het duurdere gas gemakkelijk kon betalen, nam je de brandgevaarlijke, zwakker brandende en veelal onwelriekende petroleumlamp niet in huis. Of alleen daar waar geen gas- of elektrische aansluiting mogelijk was of waar geen grote, dure verlichting nodig was.

Hier stond tegenover dat petroleum weer te kostbaar was voor de minder bedeelde onderlaag van de bevolking. In deze huishoudens bleven olielampen en kaarsen daarom nog lang de enige lichtbronnen.

Aldus werd de petroleumlamp een vorm van verlichting die vooral populair was bij burgers in steden en middelgrote gemeenten. Een lamp voor de bourgeoisie en nieuwe middenklasse dus.  Daardoor is de uitvoering altijd relatief eenvoudig gebleven. Meestal zaten er wel de nodig krullen en franjes aan een petroleumlamp (met name de hangende lampen konden er wat van), maar nooit de dure kristallen of rijk versierde armaturen die je aan kroonluchters of andere luxe lampen kon terugvinden. Daardoor is er een wat burgertruttig imago aan de petroleumlamp gaan kleven.

Dat neemt niet weg dat veel grotere petroleumlampen met hun afgeronde vormen en fraaie matglazen kappen er wel degelijk sierlijk en rustiek uitzien. Vandaar dat veel mensen nog steeds petroleumlampen in huis hebben staan en dat ontwerpers zich nog regelmatig laten inspireren door deze lamp. Ook zijn er petroleumlampen omgebouwd voor elektrische verlichting.

 

Frederik Vezin - Lezen in de avond, datum onbekend maar uiterlijk 1933. Deze lamp is typisch voor de echt burgerlijke petroleum hanglamp.

 

Petroleumlampen voor gebruik buitenshuis

Uiteindelijk heeft de petroleumlamp toch ook nog een paar toepassingen buitenshuis gevonden en wel de volgende:

  • Straatverlichting. De eerste bekende petroleumlamp was een straatlantaarn, maar toch zou dat idee op niet veel plaatsen doorzetten. Ook hier waren gas en elektriciteit te gunstige alternatieven. In Zweden ontstond niettemin de Luxlampa, een petroleumlamp met gloeikousje voor buiten. Dat is begrijpelijk voor een land met weinig inwoners maar grote afstanden. Daar waren gas- of elektriciteitsaansluitingen ook voor straat- en andere buitenverlichting niet altijd een optie.  
  • Wells lamp. Dit was een speciaal voor industrieel gebruik ontwikkelde petroleumlamp die brandde als een gasbrander en als voordeel had dat je hem gemakkelijk kon verplaatsen. Hij werd gebruikt om fabriekshallen of -terreinen mee te verlichten wanneer daar (nog) geen aansluitingen waren op gas of elektriciteit. 

 

 

Advertentie voor een Wells lamp (detail), rond 1890.

 

  • Lampen in vuurtorens. De Argandlamp was al op veel vuurtorens geplaatst in combinatie met reflectoren om het licht te versterken. Zowel de elektrische booglamp als de (goedkopere) petroleumlamp boden vuurtorens echter een nog betere oplossing. Omdat het vervangen van lampen in vuurtorens geen sinecure is, zullen aanvankelijk vooral vuurtorens die nog met kaarsen werkten petroleumlampen hebben gekregen.
  • Stormlantaarn/draagbare lamp. De belangrijkste toepassing van de petroleumlamp buitenshuis was echter zonder twijfel de stormlamp als belangrijke draagbare vorm van licht. Dat vraagt om nadere toelichting.

 

Het bekendste affiche van Jules Chéret voor Saxoléine petroleum, 1896-1900.  

 

    De stormlantaarn

    De stormlantaarn of stormlamp is een stevige, draagbare petroleumlamp die erop is gemaakt om in moeilijke omstandigheden buitenshuis veilig licht te kunnen geven. Het ontwerp van deze lamp was zo geslaagd dat hij tegenwoordig nog steeds volop wordt gebruikt, bijvoorbeeld op schepen of op campings.

    Halverwege de 19de eeuw verschenen de eerste draagbare olielampen op de markt, die waarschijnlijk nog op patentolie liepen. Dat waren zogeheten dead flame (dode vlam) lantaarns. Deze leken sterk op simpele olie- of petroleumlampen. Ze hadden een brander met een open pit en een trekglas, maar waren aangepast om te kunnen worden gedragen. Anders was dat de luchttoevoer in deze lampen zodanig was geregeld dat de vlam niet flakkerde. Vanwege de nog open vlam was deze lantaarn echter niet zo veilig.

    In 1862 kreeg de Amerikaan John H. Irwin het patent op een 'olielamp met spoel' die later ook wel een buislantaarn werd genoemd. De lamp werkte op steenkoololie of petroleum. Door de metalen buizen die aan deze lamp waren toegevoegd werd de luchttoevoer naar de vlam zodanig geregeld dat deze de ontbranding zodanig ondersteunde dat de vlam niet uit kon gaan, zelfs niet in barre omstandigheden. Daarom heet dit ook wel een hot-blast (hete ontploffing) lamp.

     

     

    Patentmodel van een lamp van Irwin, gepatenteerd in 1876. In bezit van het National Museum of American History

     

    In 1873 kwam diezelfde Irwin met een nog beter type lamp dat bekend kwam te staan als een cold-blast (koude ontploffing) lamp. Deze is hetzelfde als de hot-blast behalve dat de zuurstofarme gassen die vrijkomen bij de verbranding worden afgevoerd zodat deze niet terug kunnen stromen in de brander. Er wordt dan alleen verse, zuurstofrijke lucht aangevoerd, waardoor de lichtopbrengst groter wordt en de vlam stabieler. Het maakt deze lampen tot de felste onder de olielampen zonder gloeikousje. 

    Hoewel Irwins lampen niet specifiek waren ontworpen als stormlantaarn, zou het idee van hot-blast en cold-blast daar wel op van toepassing worden. De meeste stormlantaarns waren en zijn een van beide, waarbij de cold-blast begrijpelijkerwijs wat duurder is.  

     

    Basismodel stormlantaarn

    In principe zou de stormlantaarn hierna al snel zijn basisvorm krijgen. Het oliereservoir zit onder de lont die wordt omhuld door een glazen buis. De kap wordt verstevigd door een metalen frame dat moet voorkomen dat het glas breekt en heeft een draaghengsel. De lucht  wordt vanaf de bovenzijde aangevoerd door kleine gaatjes boven het lampenglas en daalt van daaruit via twee metalen buizen naar de onderzijde van de brander. Zo blijft de luchttoevoer constanter bij sterke tocht of windvlagen rond de lamp. Aan de bovenzijde langs de zijkant kunnen de verbrandingsgassen de lamp verlaten. Een afdekkend kapje voorkomt dat er water in de lamp valt.

     

     

    Afbeelding van een vroege stormlantaarn uit 'Die Gartenlaube', 1883.  

     

    Rond 1900: hoogtijdagen voor petroleumverlichting

    Naast de gaslamp was de petroleumlamp de belangrijkste en meest kenmerkende vorm van verlichting voor de periode 1870-1914. In feite vallen de hoogtijdagen van de petroleumlamp exact samen met deze periode. Want hoewel petroleumverlichting vanwege de gunstige prijs nog tot na de Tweede Wereldoorlog in zwang bleef, was er na de Eerste Wereldoorlog steeds meer concurrentie van elektrisch licht in verschillende vormen. De booglamp verving in toenemende mate de Wells lamp en de grootverlichting in vuurtorens en theaters, de gloeilamp verscheen in steeds meer huizen en werkplaatsen en de zaklamp (uitgevonden in 1899) werd al tijdens de Eerste Wereldoorlog een geduchte concurrent van de stormlantaarn, want veel handiger voor de soldaten in het veld.

    De petroleumlamp gaf beduidend meer licht dan andere olielampen maar zoals gezegd kon het beter. Al zal dit nog aardig verbeterd zijn nadat het gloeikousje in 1896 op de markt kwam en dat zowel de gas- als petroleumlamp een flinke nieuwe boost gaf waar de gloeilamp nog even niet van terug had.

    Maar uiteindelijk bleek de petroleumlamp toch een tussenoplossing, zij het wel eentje die juist rond 1900 zijn hoogtijdagen beleefde en daarmee zijn stempel drukte op deze historische periode.

     

    Vincent van Gogh - De aardappeleters, 1885. De eenvoudige hanglamp boven deze eettafel is waarschijnlijke de beroemdste petroleumlamp uit de kunstgeschiedenis.  

     

     

     

    Bronnen

    • M. Stokroos - 'Verwarmen en verlichten in de negentiende eeuw.' Zutphen 2001
    • M. Plettenburg - 'Licht in huis: kienspaan-kaars-olielamp.' Arnhem 1968
    • B. Bryson – Een huis vol. Een kleine geschiedenis van het dagelijks leven. Amsterdam 2010, 2011. Olympus. Hoofdstuk 6, pagina 119 t/m 142
    • E. Berkers - 'Gas, licht en elektriciteit' in: H.W. Lintsen  (red.) – 'Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1899. Deel III. Textiel. Gas, licht, elektriciteit. Bouw.  Zutphen 1993, Walburg Pers.', Hoofdstuk 6, pagina 89 t/m105.
    • Wikipedia Nederland (nl.wikipedia.org) – 'Petroleum'/ 'Kerosine' /'Minerale olie' / 'Alkaan' / 'Ignacy Łukasiewicz' / 'Petroleumlamp' (11-3-2021)
    • Wikipedia Engeland (en.wikipedia.org) - 'George Bissell' / 'Kerosene' / 'Ignacy Łukasiewicz'/ 'Wells light' (11-3-2021)
    • https://sv.wikipedia.org/wiki/Luxlampa (11-3-2021)
    • https://www.encyclopedia.com/history/encyclopedias-almanacs-transcripts-and-maps/lukasiewicz-ignacy (11-3-2021)
    • http://www.petromax.nl/incandes/discussion.html (11-3-2021)

    Afbeeldingen

     

    Dit artikel is gepubliceerd op 11 maart 2021.