NB: Dit artikel wordt momenteel gerenoveerd. Daardoor kan er tijdelijk foutieve, onvolledige of dubbele informatie op de pagina staan. Excuses daarvoor. 

Geschiedenis van de volkstuin in West-Europa tot 1914

Van goedkope groenten voor arbeiders naar volksopvoeding

In veel westerse landen speelde de volkstuin of arbeiderstuin een rol in de strijd tegen armoede. Het verbouwen van eigen gewassen in een moestuin bood arme gezinnen enig soelaas. Op de meeste plaatsen bleef het daarbij, maar in een aantal West-Europese landen niet. Daar kreeg men vanaf ongeveer 1865 door ontwikkelingen in Duitsland ook moralistische redenen voor het oprichten van volkstuincomplexen. Deze motieven konden echter regionaal gekleurd zijn en waren niet overal hetzelfde. Wel sloten ze in grote lijnen aan bij de opvattingen die aanhangers van het beschavingsoffensief doorgaans uitdroegen.

 

Camille Pissaro - Moestuin, bewolkte ochtend, Eragny 1901. Bron: Wikimedia Commons/ Philadelphia Museum of Art

Een moestuin direct buiten de stadmuren is goed mogelijk een vorm van volkstuin.

 

Wanneer spreken we van een volkstuin

Kort gezegd verstaan wij onder een volkstuin een particuliere tuin die niet bij de eigen woning ligt. Vanaf ongeveer 1900  liggen de tuintjes vaak samen met anderen in een volkstuincomplex of volkstuinpark, waarbij ieder tuintje ook een schuurtje heeft. Voor die tijd zijn het meestal afgebakende stukjes grond die als een lappendeken rond een stad liggen. 

In principe bestaan er momenteel wereldwijd twee verschillende typen volkstuin, die hier voor de goede orde worden onderscheiden. Historisch zijn vooral de aan individuele personen toegewezen, als moestuin ingerichte stukjes grond van belang. In het Engels heet zo'n tuintje een allotment. Een meer algemene term die feitelijk toewijzing betekend.

 

Francis van der Weegen - Volkstuintjes (allotments), 1918. Bron: Wikimedia Commons/ Thurrock Museum/ Art UK 

Hoewel het schilderij pas in 1918 is gemaakt, is de ouderwetse lappendeken hier goed zichtbaar.  De vele ronkende schoorstenen op de achtergrond geven aan dat het hier om arbeiderstuintjes gaat. De van oorsprong Nederlandse schilder is naar Engeland verhuisd en de grote industriestad zal een Britse zijn.

 

In de jaren '70 van de 20ste eeuw ontstond in de VS ook de community garden. Dat is een meer diverse tuin die door een groep mensen gezamenlijk wordt onderhouden. Dat kan eveneens zijn doordat iedereen een eigen stukje van de tuin toegewezen heeft gekregen, maar ook doordat de mensen de tuin gezamenlijk onderhouden. 

De stadstuin, de eerste soort volkstuin

Feitelijk bestaan volkstuinen in de een of andere vorm al zo lang als er steden bestaan. Aanvankelijk noemde men ze echter een stadstuin. Dat waren stukjes grond binnen of net buiten de stadsmuren waarop stedelingen gewassen naar keuze voor eigen gebruik verbouwden.

Zo'n tuintje kon een welkome aanvulling op het inkomen zijn, maar ook gewoon een prettige plaats om te 'verpozen'. Ze waren niet persé toegewezen aan minderbedeelden, maar konden ook best aan meer welvarende burgers toebehoren.  

In de middeleeuwen kende men ook de zogeheten kooltuin (coelghearde) als een variatie op de stadstuin en op de hedendaagse moestuin. 

 

Cornelis Troost - Een Amsterdamse stadstuin, 1740-45. Bron: Wikimedia Commons/ Rijksmuseum

De hier afgebeelde tuin is een vrij luxe stadstuin bij een grachtenpand.

Tuintjes in de 18de eeuw

In verschillende West-Europese landen wordt melding gemaakt van een meer structurele uitgave van stukjes grond in de 18de eeuw. Dat had echter niet telkens dezelfde invulling.  

  • Groot-Brittannië. Op een ets uit 1732 van Birmingham zijn talloze allotments terug te vinden, al lijken die nog niet op typische volkstuintjes zoals wij die kennen. Het zijn meer lapjes grond die zich ergens tussen een volkstuin en het land van een keuterboer in begeven. Er is verder niets bekend over deze percelen.

 

William Westley - Vergezicht op oostelijk Birmingham, 1732. Bron: Wikimedia Commons

Klik op kaart voor grotere versie.

 

  • Denemarken. De vroegste melding van toewijzing van stukjes grond stamt uit 1778 en betreft tuintjes bij de stad Fredericia. Waarschijnlijk betrof dit een particulier initiatief.
  • Denemarken/Duitsland.  In 1797/98 reserveerde de Deense landgraaf Karl von Hesse-Kassel (1744-1836) voor het eerst wat stukjes grond voor armen om te bewerken in het  toen Deense plaatsje Kappeln an der Schlei in Sleeswijk-Holstein. Van hem is bekend dat hij honger en armoede actief wilde bestrijden met de tuintjes. Zijn tuintjes kwamen te staan als Carlsgärten en zouden naam maken. Omdat genoemde plaats tegenwoordig tot Duitsland behoord, tellen deze tuintjes vaak als de oudste van Duitsland, maar daar valt dus over te discussiëren. 

Daarmee lijkt de stadstuin in de 18de eeuw een overgangsfase te hebben beleefd, van iets voor welgestelden of totale willekeur naar een op armen gerichte vorm van bijstand.

 

Karl von Hesse-Kassel

Johann Heinrich Tischbein - Landgraaf Carl von Hessen in blauw uniform, voor 1789. Bron: Wikimedia Commons/ Hessian House Foundation

 

Arbeiders- en armentuintjes

Door de industriële revolutie was de stadsgrond voor steeds meer andere zaken nodig, zoals fabrieken en nieuwe woningen. Dat wilde niet zeggen dat alle stadstuinen verdwenen, maar ze namen wel flink in aantal af. Een groot gedeelte van die bevolking was echter straatarm en had niet genoeg te eten.

Daarom begonnen particulieren en liefdadigheidsinstellingen in de eerste helft van de negentiende eeuw met het verhuren van stukjes grond aan arme fabrieksarbeiders. Deze werden arbeiderstuintjes of armentuintjes genoemd en waren per definitie ingericht als moestuin.

Stukjes grond voor minder bedeelden in Groot-Brittannië

Opnieuw lijken het Verenigd Koninkrijk en Denemarken de eerste landen waar dergelijke uitgiftes voorkwamen, al kwam de term arbeiderstuintje er (nog) niet aan te pas. 

In Engeland ontstonden in 1809 de Great Somerford Free Gardens in het dorp Great Somerford in Zuidwest-Engeland. Dat gebeurde nadat de plaatselijke dominee en tevens geestelijk raadgever van de koning, koning George III een stukje grond binnen het dorp en eentje in een nabijgelegen gehucht beschikbaar te stellen voor de armen binnen zijn parochie. Dit in ruil voor een gelijkwaardig stuk grond elders. De grond werd toegekend onder de noemer Great Somerford Inclosure Act 1806Perceeltjes werden aan dorpelingen toegewezen voor een jaar.  De Free Gardens bestaan nog steeds.

Armentuintjes in Denemarken, Duitsland en Zweden

In 1826 hadden negentien steden rond de Deens-Duitse grens al Carlsgärten. In 1830 volgde in Kiel de Gesellschaft freiwilliger Armenfreunde dit voorbeeld. Rondom de stad werden percelen van zo'n 400 m² voor een geringe huur beschikbaar gesteld.  

In een Deense koninklijke circulaire uit 1828 wordt vermeld dat er al bij meerder steden armentuintjes liggen. Dit alles dankzij particulier initiatief. In Duitsland hadden halverwege de 19de al vele steden armentuintjes. 

Ondertussen raakte in Zweden mensen geïnspireerd door de ontwikkelingen in Denemarken. Als gevolg daarvan verschenen in de jaren '60 van de 19de eeuw de eerste armentuintjes in de stad Landskrona rondom de plaatselijke citadel. 

 

Sophus Vermehren - Ontspannen in een volkstuin, 1920-1950. bron: Wikimedia Commons

De afbeelding stamt van ruim na de 19de eeuw, maar geeft toc een beeld van een Deens volkstuincomplex. Een land waar het idee altijd veel enthousiasme heeft gekend.

 

De eerste arbeiderstuintjes in Nederland

In Nederland werd de eerste arbeiderstuinen niet in de drukke randstad gesticht, maar in Franeker in 1838. Dat kwam omdat in de Noordelijke provincies de armoede nog veel groter was dan elders. Het initiatief kwam van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Het Nut). Al snel kwam deze met meer tuinen in Friesland, Groningen en Drenthe. Het Nut gaf ook enige begeleiding in het onderhouden van moestuinen. 

De eerste arbeiderstuintjes in België en Frankrijk

In 1861 worden in België de eerste volkstuinen geopend door grootgrondbezitter Pieter Bortier (1805-1879) in de plaats Gistel in West-Vlaanderen. Hij geloofde dat landbouw en visserij de basis vormde voor alle welvaart en zette zich daarom in voor het welzijn van landbouwers en vissers. Zijn volkstuintjes waren bedoeld voor gepensioneerde landbouwers die geen eigendom hadden en dus ook geen pensioen. Ook dit was dus vooral bedoeld als financiële ondersteuning. 

Ook in Frankrijk ontstonden arbeiderstuintjes, al is het niet duidelijk waar precies en wie de eerste initiatiefnemers waren. De meeste van deze tuintjes lagen in de buurt van de fabrieken waar de arbeiders werkten. Door ze aan de fabriek te binden, hoopte men ze uit de buurt te houden van door de elite ongewenst vermaak als de kermis en het variété.

Ergens kwam er contact, overleg en samenwerking tot stand tussen aanbieders van arbeiderstuintjes in België en Noord-Frankrijk, die nog zou uitmonden in ene gezamenlijke organisatie.   

 

Henri de Braekeleer - Een Vlaamse moestuin, de koolsnijdster, 1864. Bron: Wikimedia Commons/ Victoria and Albert Museum/ ART UK

 

De Britse allotment als blijvende armentuin

Op het continent zou de arbeiderstuin na 1865 uitgroeien tot een volkstuin, die werd ingezet als wapen in het beschavingsoffensief, maar in het Verenigd Koninkrijk lijkt dat minder het geval te zijn geweest. Daar bleven de allotments toch vooral een voorziening om minder bedeelden te helpen in hun streed tegen armoede en honger. Wel ging het aanbod op en neer door de 19de eeuw heen.

De zogeheten inclosure acts en de Commons Act uit 1876 hadden ervoor gezorgd dat grond die vrij gebruikt mocht worden of waar boeren bepaalde rechten op hadden, zoals bijvoorbeeld het recht op doorgang, in meer private handen was overgegaan. Daardoor was het beschikbare land voor de allotments bij het aanbreken van de 20ste eeuw aan het teruglopen.

Dat was niet helemaal de bedoeling geweest en dus kwam er in 1908 de Small Holdings and Allotments Act, die in latere jaren nog enkele aanpassingen zou krijgen. Onder deze wetten was het lokale autoriteiten toegestaan een 'afdoende voorzienend' stuk land te reserveren voor volkstuintjes. Deze mochten mensen dan goedkoop huren.

Nadat de wet actief werd schoot het aantal tuintjes wel omhoog. Waren er in 1873 nog 244.268 geregistreerde volkstuinen, in 1918 waren het er anderhalf miljoen. Al met al leverden de tuintjes in de 19de en het begin van de 20ste eeuw een groot gedeelte van de verse groenten gegeten door armen.

 

Henry Rushbury - Kensington Palace en moestuinen, 1914-1918. Bron: Wikimedia Commons

Deze moes- of volkstuinen waren tijdens de Eerste Wereldoorlog op het grondgebied van Kensington Palace opgericht om wat extra soelaas te bieden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou dit opnieuw gebeuren.

 

De armentuin als middel tot beschaving na 1865

Vanaf ongeveer 1865 ontwikkelden organisaties die arbeiderstuintjes verhuurden meer en meer moralistische opvattingen over het vormende nut van de volkstuin voor de arbeider. Dit was in overeenstemming met de opkomst van volksopvoeding in het algemeen. Pogingen om arbeiders meer beschaving bij te brengen én gezonder te maken middels het beheren van een moestuintje kwamen met name in Nederland, België, Frankrijk en Duitstalige landen voor.

Lees hier meer over de geschiedenis van het beschavingsoffensief in het algemeen. 

Moritz Schreber en de speeltuin

De Duitse arts en pedagoog Daniel Gottlob Moritz Schreber (1808-1861) was hoogleraar was aan de universiteit van Leipzig en vanaf 1844 directeur van een sanatorium. Hij geloofde in de nieuwe, in opkomst zijnde pedagogische visie voor de jeugd: met een gezonde en natuurlijke opvoeding zouden kinderen opgroeien tot evenwichtige en verstandige volwassen. Halverwege de 19de eeuw maakte hij zich bovendien grote zorgen over de invloed van industrialisatie en urbanisatie op mensen, zowel op fysiek als op maatschappelijk gebied.

 

Moritz Schreber

Adolph Neumann - Moritz Schreber, 1883 (Postuum op hout getekend). Bron: Wikimedia Commons/ Die Gartenlaube 1883

 

De gezonde en natuurlijke maar ook strenge en disciplinaire opvoeding was halverwege de 19de eeuw al erg populair in Duitsland dankzij de ideeën van Friedrich Jahn, de vader van de turnsport. Schreber sloot zich hierbij aan en was een van de twee oprichters van de Leipziger Turnverein. Helaas ontwikkelde hij zich tot een extra strenge, op dwang gerichte representant.

Zo bedacht hij allerlei 'orthopedische' uit leren riemen bestaande dwangmiddelen, bijvoorbeeld om kinderen rechtop te laten zitten, recht en stil in bed te laten liggen of te voorkomen dat ze een overbeet kregen. Dat het constant inbinden en vastsnoeren van kinderen een slecht idee was bewezen zijn eigen kinderen, die als volwassenen met ernstige psychologische problemen kampten. Gelukkig sloegen deze ideeën verder niet aan. 

Ondertussen maakte Schreber zich echter ook zorgen om de gezondheid van het stadse kind. Dat kwam helemaal niet toe aan gezonde lichaamsoefening op een natuurlijke plek. Hij meende dat er plekken moesten komen in of net buiten de stad waar deze kinderen terecht konden.

 

Jacques-Laurent Agasse - De speelplaats, 1830. Bron: Wikimedia Commons/ Kunst Museum Winterthur| Reinhart am Stadtgarden 

Het ideaalbeeld van gezonde, spelende kinderen in een natuurlijke omgeving volgens de aanhangers van de nieuwe pedagogische opvattingen.

 

Schrebertuintjes, van speelplaats naar moestuin

Uiteindelijk kwam Schreber zelf niet meer toe aan het uitvoeren van zijn ideeën. Zo wel de Leipzigse schooldirecteur en pedagoog Ernst Innozenz Hauschild (1808-1866). Hij was een vriend en geestverwant van Schreber, die vooral opviel doordat hij een schoolsysteem voor meisjes had ontwikkeld.

In 1864 richtte Hauschild samen met ouders van zijn leerlingen een vereniging op met als doel een vrij toegankelijke speel- en turnplaats in te richten voor de kinderen. Er werd een geschikt stukje grond aangeschaft en in mei 1865 opende de nieuwe speelplaats zijn deuren in een voorstad van Leipzig. Om zijn inmiddels overleden vriend te eren, noemde Hauschild het terrein een Schreberplatz.  

 

Ernst Innozenz Hauschild

Maker onbekend - Ernst Innozenz Hauschild, rond 1850. Bron: Wikimedia Commons

Karl Gesell

Maker onbekend - Karl Gesell rond 1870, rond 1870. Bron: Wikimedia Commons

 

Het toezicht op de speelplaats werd aanvankelijk alleen door de ouders gehouden. Dat bleek echter geen werkbare situatie. Daarom stelde Hauschild de net gepensioneerde hoofdleraar Heinrich Karl Gesell aan als toezichthouder. Gesell was een gemoedelijke man, die al snel populair was bij kinderen en ouders. Op een dag in 1868 nam hij zaden mee voor groenten en bloemen die hij samen met kinderen plantte aan de rand van de speelplaats. Over het waarom hiervan is fijne niet bekend, al dacht hij duidelijk dat het de kinderen zou interesseren.

Dat bleek maar matig het geval. Mogelijk waren de meeste kinderen op de Schreberplatz er nog wat jong voor. Bij de ouders sloeg het idee daarentegen meteen aan en zij gingen wél enthousiast aan de slag met het telen van vooral groenten en kruiden. Zozeer zelfs dat er meer stukjes grond werden gezocht, totdat uiteindelijk iedereen zijn eigen tuintje had. En zo werd de Schreber-plaats een Schreber-tuintje.

 

Gustav Sundblad - Op de Schreberplaats in de Zuidvoorstad van Leipzig, 1883. Bron: Wikimedia Commons/ Die Gartenlaube, 1883

Achter de vrouwen links op de afbeelding staan Schreber en Hauschild. De man met de kinderen is Karl Gesell. Deze afbeelding is uiteraard niet levensecht, maar een kleine twintig jaar na dato door de kunstenaar geënsceneerd. 

 

Theoretische onderbouwing en navolging

De geschiedenis van de Schreber-tuintjes in Oost-Duitsland laat zien dat er eigenlijk niet meteen een constructieve theorie achter zat. Het idee natuurlijke speelplaatsen voor kinderen te combineren met moestuintjes is meer zo gegroeid dan uitgedacht. Toch kwam er een theoretische, opvoedkundige onderbouwing, zowel voor kinderen als voor volwassen arbeiders.

De opvoeding van kinderen diende volgens deze ideeën te steunen op de twee pijlers, namelijk:

  • Ontspanning voor de jeugd door middel van verantwoorde speeltuinen, waardoor kinderen buiten konden spelen in een natuurlijke omgeving.
  • Een gezonde voeding door het eten van verse groenten uit eigen moestuinen.

 

Géza Peske - De kleine tuinier, rond 1900. Bron: Wikimedia Commons

Een jongetje gekleed als een kind uit de lagere klassen, vermaakt zich in een moestuin. Het is niet bekend of de Hongaarse schilder Geske met dit en enkele vergelijkbare schilderijen wilde aansluiten op de pedagogische ideeën over een natuurlijke opvoeding voor kinderen, maar het lijkt er wel op.  

 

Voor volwassenen verwachtte men dat het verbouwen van eigen gewassen  een 'vergroting van het arbeidsvermogen' en een verbetering van de 'zedelijke toestand van de werkman' tot stand zou brengen. Oftewel, de arbeider zou door het contact met de natuur en het gezonde eten gaan inzien dat hard werken en zich netjes gedragen hem een gelukkiger mens zou maken. 

Het aantal uitgegeven arbeiderstuinen groeide hierdoor sterk. In Duitsland zelf en zijn buurlanden zouden de ideeën nog het meest wortel schieten. Toch hadden niet alle organisaties en/of landen dezelfde ideologische doelstellingen met het uitgeven van volkstuintjes.

 

Maker onbekend - Verzameling groenten die eind 19de eeuw in een eigen moestuin verbouwd konden worden. Illustratie uit: Vick's Flower and Vegetable Garden. 1878 Bron: Wikimedia Commons

1. boterbonen 2. erwten 3. rabarber 4. zoete maïs 5. hoedentomaat 6. koolraap 7. bindsla 8. watermeloen 9. bloemkool 10. Hubbard pompoen 11. kromme hals zomer pompoen 12. Filderkraut kool 13. aubergine 14. komkommer 15. en 16. suikermeloenen 17. selderij 18. Belgische winterwortel 19. lange bloedbiet 20. bietenraap 21. Californische radijs 22. olijfvormige radijs 23. en 24. uien 25. Bell peper 26. kortharige wortel.

 

Twee ideologische richtingen richtingen

Hoewel ze beiden een voorbeeld wilde nemen aan de Schreber-tuintjes, ontstonden er in West-Europa twee verschillende ideologische richtingen die curieus genoeg tegengesteld waren aan elkaar.

In met name België en Frankrijk zetten katholieke organisaties het volkstuintje in als wapen tegen het socialisme. Men dacht dat het hebben van een eigen stukje grond de zelfstandigheid van de arbeider zou bevorderen en hem zou betrekken bij het kapitalisme. Hij zou zich dan vanzelf afkeren van de arbeidersbeweging.

In andere landen werd het idee van het volkstuintje juist door sociaaldemocraten opgepikt, die het als een hulpmiddel zagen om de arbeider sterker te maken in de strijd. Door zich buiten te ontspannen, in contact met de natuur te blijven en gezonde groente te eten konden kapitalistische uitwassen beter worden bestreden.

Het begin van de volkstuin

Rond 1900, als de welvaart begint te groeien, ontstaat er een nieuw soort tuin naast de arbeiderstuin. Deze gaat men de volkstuin noemen. Het verschil is dat bij de arbeiderstuin de nadruk ligt op de verbouw van groente, terwijl bij de volkstuin recreatie in de buitenlucht voorop staat. Volkstuinen zijn nu dus niet meer uitsluitend moestuinen.

Deze tuintjes bevonden zich ook steeds vaker in een speciaal volkstuincomplex in plaats van in de directe buurt van de arbeiderswoningen. 

 

Robert Hoffmann - Volkstuinschuurtjes in  Berlin-Zehlendorf, ±1910. Bron: Wikimedia Commons

 

Aanbieders van volkstuinen

Het aanbieden van arbeiders- en volkstuinen werd een populaire bezigheid voor verschillende groeperingen. Industriëlen, mijndirecties en arbeidersverenigingen zorgden dat er grond beschikbaar kwam. Daarbij volgden ze vaak de Schreber-ideologie. Lange tijd bleef het wel bij particulier initiatief, zoals dat in de negentiende eeuw nu eenmaal gewoon was.

Nederland

In Nederland bleef de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen actief, maar daarnaast werden onder meer ook woningbouwverenigingen, de Bond van Nederlandsch Spoorwegpersoneel en de Volksbond tegen Drankmisbruik actief.

De NS gaf in dit kader zogeheten spoortuintjes af. Deze lagen langs het spoor en waren in eerste instantie bedoeld voor het eigen personeel. Extra voordeel voor de NS was echter dat ze deze stukken grond dan niet zelf hoefde te onderhouden. Veel van deze spoortuintjes liggen er nog steeds al worden ze in toenemende mate verwijderd.

 

Carl Duxa - Delfzijl, 1900. Bron: Wikimedia Commons 

 

België en Frankrijk

In 1889 werden in Frankrijk de eerste volkstuintjes in de traditie van Schreber gesticht in de plaats Sedan, dicht op de Belgische grens. Deze gingen familietuintjes heten in plaats van arbeiderstuintjes. Initiatiefneemster was de Christendemocratische weldoenster Félicie Hervieu (1840-1917). Zij wist enkele invloedrijke Franse geestelijken te inspireren hetzelfde te doen.

Daaronder was de abt Jules-Auguste Lemire (1853-1928) uit het Noord-Franse Hazebroek. Hij gebruikte zijn politieke invloed in Noordwest-Frankrijk om daar een groot aantal tuintjes te realiseren. Deze mensen binnen deze beweging waren even begaan met het verbeteren van de slechte leefomstandigheden van arbeiders als met het opleggen van hun eigen katholieke moraal aan de arbeiders.

In 1896 werden de fundamenten gelegd voor een koepelorganisatie van volkstuinen in België. Tot dan toe was het bij particulier initiatief gebleven. Enkele jaren later werd op initiatief van abt Lemire officieel de Belgische en Noord-Franse Ligue du Coin de Terre et du Foyer Insaississables opgericht.

 

Agence Rol. Agence photographique - Abt Lemire op een tuinbouwtentoonstelling, 1912. Bron: Wikimedia Commons/ Bibliothèque national de France

 

In Vlaanderen ging dezelfde organisatie aan de slag als Werk van den Akker en den Haard. Hun eerste tuintjes lagen in de Brusselse randgemeente Sint-Joost-ten-Node. Hierna volgden meer tuintjes, meestal in de buurt van fabrieken in grote steden.

De bond was zoals eerder vermeld van katholiele huize en gericht op fabrieksarbeiders. Men hoopte met de tuintjes verderfelijke invloeden van het stadsleven tegen te gaan, zoals alcoholisme, moreel verval en geweld binnen het gezin. Uiteindelijk zou het hebben van een volkstuintje de arbeider ook weghouden bij het door de kerk zo verfoeide socialisme. De katholiek signatuur resulteerde onder meer in lokale verboden om op zondag in de tuinen te werken.

Werk van den Akker en Haard zou later De Vlaamse Volkstuin gaan heten en uiteindelijk Tuinhier.

 

Gustave Caillebotte - Tuiniers, 1875-77. Bron: Wikimedia Commons

 

Denemarken

In 1884 werd in Aalborg de eerste Deense volkstuinvereniging opgericht. In 1891 volgde een arbeidersvereniging in Kopenhagen die de eerste volkstuinen in de hoofdstad voor zijn rekening zou nemen. Daarna ging het hard in bijna alle Deense steden. In 1904 waren er zo'n twintigduizend tuintjes in dit toch betrekkelijk dunbevolkte land.

In 1908 vormden twintig volkstuinverenigingen in Kopenhagen een overkoepelende bond. Deze breidde zich al snel uit, totdat hij in 1914 het hele land besloeg. Het Deense enthousiasme zou overslaan naar andere Scandinavische landen.

Zweden

In Zweden raakte de sociaaldemocratische politica, sociaal hervormer en suffragette Anna Lindhagen (1870-1941) enthousiast over volkstuintjes nadat ze die in Kopenhagen had bezocht. Ze introduceerde het idee in Zweden en wist anderen te inspireren. Met als gevolg dat in 1895 volkstuintjes werden geopend in Malmö en in 1904 in Stockholm. In 1906 richtte Lindhagen in Stockholm de eerste volkstuinvereniging van Zweden op. 

In 1917 heeft ze naar verluid ook geprobeerd om Lenin, die op doorreis was in Stockholm, te wijzen op de vele voordelen van volkstuintjes voor arbeiders. Helaas vond de grote communistische leider het helemaal niks. Hij had liever dat arbeiders hun energie gebruikten voor de proletarische revolutie dan een beetje in de grond stonden te wroeten. Daar zouden communisten in latere jaren nog anders over gaan denken.

 

Anna Lindhagen

Maker onbekend - Portret van Anna Lindhagen, 1920. Bron: Wikimedia Commons

Andere Europese landen

Veel landen in Europa zagen rond 1900 voor het eerst projecten verrijzen om armere bewoners aan een volkstuintje te helpen.

  • Oostenrijk. In 1905 verschenen hier de eerste volkstuinen in het plaatsje Purkersdorf, dat nog onder de rook van Wenen ligt.

Otto Piltz - In de moestuin, 1902. Bron: Wikimedia Commons

 

Resultaten behaald binnen de volksopvoeding

Er zit duidelijk een sympathieke kant aan de Schreber-ideologie, die ook tegenwoordig nog gedeeltelijk opgeld doen. Niemand zal ontkennen dat buiten spelen en gezonde voeding goed is voor een kind.

Toch was er ook nu, zoals wel vaker binnen het beschavingsoffensief,  sprake van betutteling en overdreven verwachtingen die niet zouden worden waargemaakt. Dit met name ten aanzien van het effect dat een volkstuin zou hebben op volwassen arbeiders. Die veranderden ook door het hebben van een volkstuintje niet in een compleet ander persoon.

Vanwege het evidente praktische nut van de tuintjes zijn de initiatiefnemers echter nooit zo teleurgesteld afgehaakt als bijvoorbeeld bij het verspreiden van de kamerplant het geval was. Daarvoor waren veel arbeiders te blij met de kans wat eigen voedsel te kunnen verbouwen. En zoals het verhaal rond de Schreber-tuintjes laat zien, waren er genoeg onder hen die het ook gewoon leuk vonden om zo'n tuintje te onderhouden. 

 

Hans Baluschek - Zomerfeest, 1909. Bron: Wikimedia Commons/ Stiftung Stadtmuseum Berlin 

Een optocht in het kader van een Berlijns zomerfeest trekt net door een complex met volkstuintjes.

 

 

Bronnen

  • Zeevat C. - 'Tot nut & genoegen: volkstuincultuur in Nederland.' Rotterdam 2001
  • Bornebroek A. - Volkstuintjes of de sociale geschiedenis van de stadsboeren.' in: 'Onvoltooid verleden, nieuwsbrief voor de geschiedenis van sociale bewegingen.' Gepubliceerd op: www.onvoltooidverleden.nl (31-10-2012)
  • Wikipedia (nl.wikipedia.org) - 'Volkstuin' (31-10-2012)

Afbeeldingen

  • Mortiz Schreber: Wikimedia Commons / Die Gartenlaube 1883
  • Overigen: Wikimedia Commons (commons.wikimedia.org)

 

 

Deze pagina is gepubliceerd op 31 oktober 2012 en voor het laatst gewijzigd op 22 juli 2019.