Home » Maatschappij » Sociale indeling

Nieuwe sociale indelingen in de 19de eeuw

De maatschappelijke ladder op de schop: naar klassen en zuilen

Dat veranderingen die het gevolg waren van de industriële revolutie tot in het hart van de samenleving doordrongen, blijkt bovenal uit het feit dat in alle Europese landen de sociale stratificatie compleet wijzigde. De traditionele standenmaatschappij veranderde in een klassenmaatschappij en in Nederland en België ontstond een geheel andere, verticale maatschappelijke indeling die bekend kwam te staan als verzuiling. Daardoor kregen veel mensen een heel ander plaats op de sociale ladder dan hun (voor)ouders hadden gehad binnen een klasse of zuil. Maar wat het ook was, zozeer in graniet gebeiteld als een stand was het niet. 


Bekende anti-kapitalistische poster uit 1911

 

De horizontale indeling

De meeste samenlevingen kennen een horizontale indeling, waarbij groepen mensen worden onderverdeeld in lagen waartussen ongelijkheid bestaat. Dat noemt men ook wel sociale stratificatie. Het is een manier om een vereenvoudigde weergave te geven van de sociale ongelijkheid binnen een samenleving door deze onder te verdelen in slechts enkele standen of klassen.

Uitgetekend geeft dat meestal de vorm van een pyramide: de hoogste laag van belangrijkste personen is maar klein, terwijl de onderste laag van laagste gerangschikten de grootste is. 

In de geschiedenis zijn er in principe twee van dergelijke indelingen geweest, te weten:

  • De standenmaatschappij, waarbij de bevolking is onderverdeeld in groepen die elk hun eigen rechten en plichten hebben. Hogere standen zijn vaak alleen te betreden door het hebben van de juiste afkomst.
  • De klassenmaatschappij, waarin de bevolking is onderverdeeld in lagen die zijn gebaseerd op economische maatstaven. Hoe meer middelen en macht iemand tot zijn beschikking heeft, hoe hoger deze op de ladder staat. De meest eenvoudige indeling hierbij is die in een onderklasse, middenklasse en bovenklasse, maar vaak wordt dat wat nader gespecificeerd.

Wetenschappers als economen, sociologen en historici werken veel met deze indelingen. Daarbij gaan ze vaak echter vaak over tot het gebruik van beduidend complexere indelingen als in dit artikel ter sprake zullen komen.

 

De verticale indeling

Sommige samenleving hebben een verticale verdeling in plaats van een horizontale. Dit noemt men ook wel verzuiling (pillarisation in het Engels). Hierbij wordt de samenleving opgedeeld in groepen op basis van levensbeschouwelijke (meestal religieuze) en/of sociaal-economische (bijvoorbeeld liberale of socialistische) opvattingen, maar soms ook op basis van etnische groepen binnen een samenleving. Mensen die dezelfde opvattingen aanhangen of dezelfde etnische achtergrond hebben organiseren binnen dit systeem hun eigen instituties en schermen zich daarmee af van andere groepen. Bij dergelijke instituties kan het gaan om scholen, verenigingen, politieke partijen, vakbonden, omroeporganisaties, kranten en ziekenhuizen. In zo'n maatschappij behoren mensen tot een bepaalde zuil en bevonden zich binnen zo'n zuil mensen van alle rangen en standen.

In de negentiende eeuw ontwikkelde een dergelijke maatschappelijke indeling zich als eerste in Nederland en België. Later zou een vergelijkbare onderverdeling ontstaan in onder meer Noord-Ierland, Zwitserland, Oostenrijk, Cyprus, Libanon en Maleisië.

 

 

Albert Hahn - Affiche voor dagblad Het Volk, 1910. Dagblad voor leden van de Nederlandse socialistische zuil.

 

Traditionele standenmaatschappijen

Om goed te begrijpen wat er in de 19de eeuw precies is veranderd in veel Europese landen, is het van belang eerst een beeld te schetsen van de situatie zoals die was. Tot zeker halverwege de 19de eeuw kende men in Europa eigenlijk alleen standenmaatschappijen. Die vonden hun oorsprong in de vroege feodale middeleeuwen. Vele eeuwen lang erkende men daarbij drie expliciete standen:

  1. De geestelijkheid (bidders)
  2. De adel (strijders)
  3. De boeren, waar later ook de burgerij in de steden toe werd gerekend (werkers)

Dit is echter een grove indeling die niet op alle middeleeuwers even goed van toepassing is. Zo waren er ridders die evident tot de adel behoorden, maar lange tijd waren er ook veel lagere ridders die helemaal geen land of titel hadden. Tot welke stand die behoorden is niet duidelijk.

Vanzelf waren de drie belangrijkste standen ook weer onderverdeeld in verschillende lagen. Er waren bijvoorbeeld hogere geestelijken van aristocratische afkomst, die kanunnik, abt, bisschop of zelfs kardinaal werden en lagere geestelijken zoals dorpspastoors, monniken en nonnen. Dat de enorme derde stand nog verder gestratificeerd was, laat zich vanzelf raden.

Het was overigens al heel wat om tot een stand te horen. Een zeer grote straatarme onderlaag van de bevolking hoorde helemaal nergens bij, al mochten horigen zich wel tot de boerenstand rekenen.

De standenmaatschappij was dus in feite verbonden met de sterk agrarische, feodale maatschappij die in de middeleeuwen lang opgeld deed. Daar kwam enigszins de klad in toen vanaf ongeveer de 12de eeuw de steden steeds meer macht kregen en hun inwoners, de burgers, steeds meer rechten en welvaart. Dat maakte de burgers eigenlijk in toenemende mate meer een economische klasse dan een stand.

 

Robert Tournières - Graaf Ferdinand Adolf von Plettenberg en zijn gezin, 1727. De adellijke stand op zijn meest luisterrijk in het hart van de pruikentijd.

 

Aldus werd in de eeuwen die volgden de standenmaatschappij niet opgeheven, maar zakte de scherpe driestandenindeling wel naar de achtergrond. Daarvoor in de plaats groeide een wat vager maar uit veel meer lagen bestaand alternatief, waarbij het idee tot welke stand te behoren intuïtief was in plaats van volgens vastgestelde regels. wat niet wegnam dat een stand een vast geplamuurd iets was, waar een mens nauwelijks vanaf kon komen.

De eerste zware klap aan dit systeem werd uitgedeeld door de Franse revolutie in 1789. Deze revolutie en het daaropvolgende bewind van Napoleon zorgde ervoor dat Frankrijk als eerste land de standenmaatschappij definitief inruilde voor een klassenmaatschappij. 

 

Ontwikkelingen door de industrialisatie

Door de industrialisatie raakten de sociale verhoudingen zoals die nog voor 1800 golden langzaamaan in de verdrukking. Dat kwam omdat middelen en macht in toenemende mate terecht kwamen bij mensen die dat eerst niet hadden, terwijl een aantal groepen die ze wel hadden deze kwijt raakten. Dat betekende onder andere dat sociale mobiliteit, binnen de standenmaatschappij nauwelijks denkbaar, nu wel mogelijk was. Als gevolg daarvan voldeed het eenvoudige principe van een standenmaatschappij niet meer.

In Europa vonden als gevolg van de industrialisatie vanaf 1800 de onderstaande ontwikkelingen plaats:

  • Een overgang van de traditionele standenmaatschappij naar een klassenmaatschappij.
  • Een neergang van groepen uit de gevestigde orde, met name oude Europese landadel en families van patriciërs in de steden.
  • De opkomst van nieuwe klassen, waarbij met name de bourgeoisie en de middenklasse een enorme groei kenden.
  • Verzuiling in een aantal landen.
  • De kans op sociale mobiliteit werd een gegeven 

 

Edward Degas - Op de beurs, 1878. De beurs was dé plek waar na de industrialisatie macht en middelen konden overgaan op onverwachte eigenaars.

 

Van standenmaatschappij naar klassenmaatschappij

Het is niet zo dat standen en klassen zomaar naast elkaar bestaan binnen een samenleving. In principe is er sprake van ofwel het een ofwel het ander, hoewel de werkelijkheid vaak wat diffuser is. Zelfs in de granieten middeleeuwse standenmaatschappij kwamen groepen mensen voor die meer weg hadden van een klasse. Voorbeelden zijn de al eerder genoemde lagere ridders (geen adel, maar wel krijgers), ambtenaren, rechtsdienaren en rijkere stadse burgers met bestuurlijke macht of andere vormen van invloed. Deze personen hadden in feite teveel inkomen en macht om tot de derde stand te worden gerekend, maar waren ook geen adel. Ondertussen opereerden ze met hun eigen groep meer als een klasse dan als een stand.

Toch betekent het bestaan van dergelijke klassen binnen een standenmaatschappij niet dat je meteen kunt spreken van een klassenmaatschappij. Deze doet zich pas voor als een samenleving overwegend wordt ingedeeld door klassen. En dat is een vrij nieuw verschijnsel dat zich in de 19de eeuw pas voor het eerst voordoet. Want de overgang van de traditionele standenmaatschappij die het zoveel eeuwen vol had gehouden naar een klassenmaatschappij was het gevolg van de industrialisatie en is daar nauw mee verbonden.

In de meeste samenlevingen kon je nu de volgende hoofdklassen onderscheiden:

  • De bovenklasse, bestaande uit adel en bourgeoisie, dus zowel oud als nieuw geld.
  • De middenklasse, bestaande uit wat vaak 'de kleine burgerij' werd genoemd.
  • Arbeiders, die zich dankzij een wat hoger inkomen los hadden gemaakt van de echt armen.
  • De onderklasse of het lompenproletariaat, bestaande uit diegenen die echt niks hadden. 

Opmerkelijk genoeg is gebleken dat het bestaan van een doorwrochte standenmaatschappij de beste voedingsbodem geeft voor het ontstaan van een klassenmaatschappij. In de Verenigde Staten, waar geen standenmaatschappij meer van de grond is gekomen, kwam ook de klassenmaatschappij niet helemaal uit de verf. Niet zoals in feodale grootheden als Groot-Brittannië, Duitsland en Rusland het geval was.

 

Oscar Stenvall - Derde klasse wagon (in Zweden), vóór 1916. Klassenverschil kwam goed tot uiting in de indeling van een van de meest opvallende producten van de industriële revolutie: de trein. 

 

Neergang van oude landadel en patriciërs

De adel, in feite de rijkste en machtigste stand binnen de traditionele standenmaatschappij, maakte dankzij de industriële revolutie een forse neergang mee door heel Europa. Dat lijkt wellicht een logisch gevolg van de overgang naar een klassenmaatschappij, maar dat was niet het geval. Als er ergens nieuwe rijken bijkomen, hoeven de oude rijken helemaal niet af te vallen. In dit geval is dat echter wel gebeurd, maar om redenen die betrekking hadden op het feit dat deze adel, voornamelijk bestaand uit grootgrondbezitters, nogal landelijk georiënteerd was. De nieuwe tijd met al zijn machines bereikte ook het platteland (soms zelfs eerder dan de steden) en dat was niet goed voor grootgrondbezitters en hun inkomen. Veelal verloren ze de concurrentieslag met grote boerderijen, omdat hun land bewerkt werd door kleine pachters die de nieuwe, enorm veel tijd besparende machines niet konden betalen.

Niet alleen de adel verloor echter zijn greep op de macht, dat gebeurde ook met families van patriciërs in steden, die daar traditiegetrouw het gemeentebestuur regelden. In sommige steden waren bepaalde families al drie tot vier eeuwen aan de macht.  Maar wat het stadsbestuur betreft had het idee dat je daarvoor in de juiste familie moest zijn geboren nu behoorlijk afgedaan. Bestuurders dienden voortaan te worden aangesteld op basis van persoonlijke merites. 

 

Nieuwe klassen in opkomst: de bourgeoisie en de middenstand

Zoals gezegd werden de bakens door de industrialisatie flink verlegd. Dat maakte dat er naast verliezers ook winnaars waren. Twee maatschappelijke groepen die hier beter uit kwamen dan andere waren de bourgeoisie (rijkere burgers) en de middenklasse. De bourgeoisie kwam daarbij als eerste op, aangezien de meeste ondernemers die de nieuwe fabrieken opzetten hiertoe behoorden. Maar ook een grote groei van vrije beroepen door hoogopgeleide mensen, zoals advocaat, arts, docent of architecten hielp deze groep vooruit.

In de laatste decennia van de 19de eeuw leek de middenklasse welhaast te exploderen. Binnen de standenmaatschappij stelde deze middelste laag weinig voor in vergelijking met de bovenlaag en de onderlaag. Dat veranderde flink door de toegenomen welvaart en de enorme groei van de consumptiemaatschappij na 1870.  

 

Gustave Caillebotte - Een balkon, 1880. De winnaars van de nieuwe tijd, een man uit de bourgeoisie (met hoge hoed) en een redelijk welgestelde middenklasser (met bolhoed) kijken vanaf een balkon neer op een stad (waarschijnlijk Parijs). 

 

Verzuiling

De Nederlandse historicus Hans Righart publiceerde in 1986 een vergelijkende studie over het ontstaan van de katholieke zuilen (doorgaans de meest fanatieke zuil) in Nederland, België, Oostenrijk en Zwitserland. Hij kwam toen tot de conclusie dat de oorzaken voor het ontstaan van deze zuil per land konden verschillen, maar dat bescherming van het eigen gedachtegoed tegen de aanwassende secularisatie overal de belangrijkste reden was.

In ieder geval groeide er rond 1900 in Nederland en België in ieder geval een verticaal ingedeelde samenleving in plaats van een horizontale. De sociale indeling vond hierbij plaats op basis van zowel bestaande als nieuwe levensopvattingen, zoals het katholicisme, het protestantisme, het liberalisme en het socialisme. Een geheel nieuw concept binnen de geschiedenis van de mensheid.

Het principe achter verzuiling, namelijk jezelf terugtrekken met binnen je eigen groep, heeft ook altijd veel weerstand opgeroepen bij mensen die dat niet wenselijk achtten. Liberalen namen daarbij een wat opvallende positie in, omdat zij in een verzuilde maatschappij noodgedwongen mee moesten doen, maar eigenlijk tegen dit systeem waren. Daarom richtten zij wel hun eigen organisaties op, maar stelden die open voor iedereen. Op basis daarvan menen veel historici dat je niet echt kunt spreken van een liberale zuil.

De beginnende verzuiling in het Habsburgse Rijk, ook wel bekend als Oostenrijk-Hongarije was niet hetzelfde als die in Nederland en België. Hier was de beginnende verzuiling behalve ideologisch echter ook etnisch georiënteerd. Dit keizerrijk bestond immers uit een keur van verschillende volkeren, grotendeels verspreid over centraal en oostelijke Europa en over de Balkan. Volkeren die om te beginnen al allemaal hun eigen taal spraken en er ook hun eigen cultuur en gewoontes op na hielden. Ook dat leidde tot een behoefte aan eigen organisaties en samenkomsten, zoals typisch is voor een verzuild systeem.

Daarmee was Oostenrijk-Hongarije echter nog geen volledig verzuilde maatschappij, want het enorme keizerrijk was evengoed de trotse bezitter van een uitgebreide adellijke stand en agrarisch genoeg om ook een ruim vertegenwoordigde boerenstand te hebben. Daardoor overheerste het idee van een standenmaatschappij hier nog lange tijd.

 

Omslag van het Belgische satirische tijdschrift La Bombe uit 1878. Het is een spotprent die over de eerste Belgische schoolstrijd die in 1878 ontstond door de wijziging van een wet uit 1842, waarbij een liberale regering katholieke geestelijken hun voorrechten binnen het Belgische basisonderwijs ontnam. Dergelijk schoolstrijden komen alleen binnen verzuilde samenlevingen voor. Nederland heeft er een gehad, België had er twee. 

De tekst onder de tekening luidt: "Herziening van de wet uit 1842: Herinneringen en spijt."

 

 

Sociale mobiliteit: van dubbeltje naar kwartje

"Een dubbeltje kan nooit een kwartje worden," zo luidde het heilige adagium van de standenmaatschappij. En zo was dat maar net. Hoewel nooit helemaal. Er bestaan geen maatschappelijke netten waar nooit eens wat visjes door de mazen weten te zwemmen. Waarschijnlijk is er in al die eeuwen standenmaatschappij nog geen jaar voorbijgegaan zonder dat er mannen via een flitsende carrière wisten door te stromen naar een beduidend hogere positie op de ladder en zonder dat er vrouwen kans zagen om 'boven hun stand' te trouwen. Soms waren er zelfs vrouwen die een onmogelijk geachte carrière toch voor elkaar kregen. Het bleven uitzonderingen op de regel, maar een enkel dubbeltje werd wel degelijk een kwartje.

Toen de industriële revolutie na 1800 goed op stoom raakte, werden er opeens heel veel dubbeltjes een kwartje en de mogelijkheden dit voor elkaar te krijgen namen in de loop van de eeuw alleen maar verder toe . 

Desondanks probeerde de mensheid vreemd genoeg stug vast te houden aan bovengenoemd gezegde en het idee dat daarachter zit. De kans om op de sociale ladder te stijgen als je goed werk had geleverd was misschien wel de belangrijkste verworvenheid van de industrialisatie op sociaal gebied, maar blijkbaar eentje waar men toch maar moeilijk aan kon wennen en zich wat ongemakkelijk over voelde. Dat nam echter niet weg dat in de westerse wereld de open maatschappij nu een feit was geworden en blijvertje zou blijken bovendien.   

 

Jean-Eugène Buland - Aalmoes van een bedelaar, 1880. Dit schilderij zet ieder gevoel betreffende het verschil tussen rijk en arm op zijn kop.

 

 

Bronnen

  • Th. van Tijn – 'Voorlopige notities over het ontstaan van het moderne klassenbewustzijn in Nederland.' Uit: P.A.M. Geurts en F.A.M. Messing (red.) – 'Economische Ontwikkeling en Sociale Emancipatie II'. Den Haag 1977
  • R. J. Evans – 'De eeuw van de macht. Europa 1815-1914.' Amsterdam 2016. Hollands Diep. 
  • Ph. Blom - 'De duizelingwekkende jaren. Europa 1900-1914.' Amsterdam 2010. De bezige bij.
  • Wikipedia Nederland (nl.wikipedia.org) – 'Sociale stratificatie'/ 'Standenmaatschappij'/  'Verzuiling'/ 'Schoolwet van 1842 (België)' (4-9-2020)

Afbeeldingen

  • Wikimedia Commons - commons.wikimedia.org