Home » Maatschappij » Sociale indeling » Klassenmaatschappij

De 19de-eeuwse klassenmaatschappij

Overgang van een standen- naar een klassenmaatschappij

Gedurende de tweede helft van de 19de eeuw bewogen veel Europese landen onder invloed van de industrialisatie van een traditionele standenmaatschappij naar een samenleving ingedeeld naar sociale klassen. Dat is opmerkelijk, want een verschuiving van het ene naar het andere systeem is een zeldzaamheid. Doorgaans zijn de regeltjes die iemands plaats op de sociale ladder bepalen zo diep ingeroest dat ze eeuwenlang hetzelfde blijven en er veel voor nodig is om ze te veranderen. De industriële revolutie was als ontwikkeling echter ingrijpend genoeg om ook op dit punt een omslag te forceren, hoewel in Frankrijk die andere revolutie al een voorbeeld stelde. 


Jean Carolus - Een dame en haar dienstmeisje, 1897. Een beeld dat in alle typen maatschappijen van voor ongeveer 1950 veel voorkomt. De dame had meestal een nauwe band met haar kamermeisje, dat in principe tot een veel lagere klasse behoorde dan zij, maar relatief gezien nog vrij hoog op de sociale ladder stond. Zoals op dit schilderij allemaal goed te zien is, ook aan de tamelijk chique kleding van het dienstmeisje.

 

Wanneer is er sprake van een standenmaatschappij

Veel mensen zullen het zich niet bewust zijn, maar een traditionele standenmaatschappij is niet hetzelfde als een maatschappij gebaseerd op sociale klassen. Een stand is iets anders dan een klasse. Maar wat is het dan precies, dat verschil tussen een standen- en een klassenmaatschappij? Het zijn toch allebei vormen van sociale rangschikking waarbij diegenen met het meeste geld bovenaan staan en die met het minste onderaan? Zo bekeken lijkt klasse inderdaad een modern woord voor stand, maar dat is een misverstand.

In het algemeen wordt er gesproken van een standenmaatschappij als de sociale stratificatie van mensen de volgende kenmerken heeft:

  • De hiërarchie wordt bepaald door traditie en overerving. Er zijn geen specifieke eigenschappen aan personen die hun plaats op de ladder bepalen of waardoor ze in een bepaalde groep worden ingedeeld, zelfs inkomen telt officieel niet. Geboorte en afkomst bepalen tot welke stand je behoort en er is weinig tot geen kans dat ooit te ontgroeien. Alleen zeer bekwame individuen van onbesproken gedrag krijgen wellicht de gelegenheid door te stijgen (bijvoorbeeld door het verkrijgen van een adellijke titel) en mensen kunnen boven hun stand trouwen.
  • De hiërarchie is algemeen geaccepteerd. De op afkomst gebaseerde hiërarchie wordt door iedereen geaccepteerd en als vanzelfsprekend ervaren. Hij zit diep verankerd in het bewustzijn van de mensen en staat niet of nauwelijks ter discussie.
  • De indeling is van onder tot boven fijn gedifferentieerd. In principe zijn er maar drie standen, namelijk de geestelijkheid, de adel en de derde stand bestaande uit boeren en burgers. Toch onderscheiden diegenen die tot de standenmaatschappij behoren tal van verschillende substanden. Zo is de ene adel de andere niet en kunnen mensen die zeer laag op de ladder staan nog best een stuk hoger zijn ingedeeld dan hun buren.

Een standenmaatschappij bestaat daarmee bij de gratie van een sterk ontwikkeld standsbewustzijn. Betrokkenen weten precies van zichzelf tot welke stand ze behoren en van anderen weten ze dat ook. Het is niet denkbaar dat je tot een bepaalde stand zou behoren zonder dat zelf te weten. In officiële bronnen, zoals bijvoorbeeld de wet, is echter niet vastgelegd wie er precies tot welke stand behoren.

 

Antoine-Jean Duclos - Het uitgedoste bal, 1773/74. Hoogtepunt van adellijk vertier: een menuet dansen op een bal.  

 

Wanneer is er sprake van een klassenmaatschappij

Van een klassenmaatschappij wordt gesproken als de sociale indeling deze kenmerken heeft:

  • De hiërarchie wordt bepaald door economische maatstaven. Geldbezit speelt daarbij een belangrijke rol, maar is niet de enige maatstaf. Andere zaken, zoals macht, politieke invloed, kennis of het aanzien van bepaalde beroepen kunnen mede bepalen tot welke klasse iemand hoort. Afkomst kan eveneens nog steeds van belang zijn, maar slechts in beperkte mate.
  • De onderverdeling kent weinig differentiatie. Het aantal klassen is beperkt, maar het aantal mensen dat tot een bepaalde klasse wordt gerekend is groot. Vele malen groter dan het aantal mensen dat bij een bepaalde substand hoort.
  • Er is sprake van verticale sociale mobiliteit. Dat wil zeggen dat het voor mensen mogelijk is om van een lagere naar een hogere klasse door te stijgen. Mensen zitten niet vastgepind op de klasse waarbinnen ze zijn geboren. De klassenmaatschappij is daarmee veel opener dan de standenmaatschappij, al valt het in de praktijk vaak niet mee om daadwerkelijk omhoog te klimmen.

 

Advertentie voor een schriftelijke beroepsopleiding van de International Correspondence Schools uit 1916. Scholing was rond 1900 een zeer belangrijk hulpmiddel bij sociale mobiliteit, omdat verreweg de meeste mensen laag waren opgeleid. Tegenwoordig is het veel moeilijker nog een verschil te maken met een goede opleiding, omdat de meeste mensen er een hebben.

 

Toestandsklassen en bewustzijnsklassen

Historici en sociologen hanteren twee verschillende soorten klassen waarin je een maatschappij kunt onderverdelen, namelijk toestandsklassen en bewustzijnsklassen. In principe zijn dat twee verschillenden manieren om tot een indeling te komen. Het verschil tussen beide is als volgt:

 

  • Toestandsklassen

Met een toestandsklasse bedoelt men een van buitenaf en achteraf objectief vastgestelde sociale groep. Niet de mensen zelf hebben deze klasse als zodanig aangeduid, maar theoretici (historici, sociologen, filosofen) die de betreffende samenleving bestuderen. Met de door hen aangemerkte klassen kunnen ze de sociale hiërarchie binnen de samenleving beter beschrijven en verduidelijken.

Toestandsklassen worden doorgaans van elkaar onderscheiden op basis van de mate waarin iemand macht heeft over productiemiddelen, arbeidskrachten of het zogeheten maatschappelijk surplus. Daarmee wordt verwezen naar alle goederen en diensten die wel worden geproduceerd maar niet nodig zijn voor het bekostigen van het productieproces en de daarbij gebruikte arbeidskracht. De winst dus feitelijk.

In een moderne kapitalistische maatschappij is het vaststellen van deze klassen niet al te moeilijk, omdat de positie van mensen doorgaans een juridisch vastgelegde basis heeft, bijvoorbeeld in arbeidscontracten. Het is voor deze indeling echter niet nodig een klassenmaatschappij te zijn, want ook een standenmaatschappij kan door historici naderhand alsnog worden onderverdeeld in toestandsklassen.

 

  • Bewustzijnsklassen

Dit zijn klassen zoals mensen die zelf ervaren. Hier speelt een duidelijk klassenbewustzijn dus een belangrijke rol; mensen zijn zich bewust deel uit te maken van een bepaalde klasse. Toch wordt ook in dit geval de onderverdeling meestal gemaakt op basis van de beschikking die men heeft over kapitaal, productiemiddelen en andere machtsmiddelen. Bewustzijnsklassen zijn daarmee in principe verbonden met het kapitalisme en kwamen vóór de industrialisatie maar weinig voor. Daarmee bestaan de  19de-eeuwse Europese samenlevingen dus expliciet uit bewustzijnsklassen.

Een standenmaatschappij kan niet achteraf alsnog worden onderverdeeld in bewustzijnsklassen. Mensen voelen zich ofwel lid van een bepaalde stand ofwel van een bepaalde klasse.

 

 

Stanislaw Lentz - Staking, 1910. Een trots klassenbewustzijn straalt van deze sterke arbeiders af.

 

Groeiend klassenbewustzijn in de 19de eeuw

In de loop van de negentiende eeuw gebeurde het dat onder invloed van de industrialisatie bij steeds meer mensen een klassenbewustzijn ging overheersen boven een standsbewustzijn. Dat was dus een geleidelijk groeiproces waarbij mensen zichzelf in toenemende mate identificeerden met een bepaalde maatschappelijk klasse in plaats van met de stand waarbinnen ze veelal nog waren geboren. 

Binnen dat proces ontwikkelde niet alle uiteindelijke klassen zich tegelijkertijd of even snel. Het begon in het de eerste decennia van de eeuw met de bourgeoisie, de rijke bovenlaag van burgers. Later volgden de arbeiders die de nieuwe fabrieken bevolkten. Tegen het eind van de eeuw was het tenslotte de middenklasse die tot grote bloei kwam. Nadat alle klassen afdoende bewustzijn hadden ontwikkeld, was er pas definitief sprake van een klassenmaatschappij.

NB: In sommige literatuur wordt de bourgeoisie omschreven als middenklasse en de middenklasse als kleine of lagere middenklasse. Omdat dit naar mijn gevoel verwarring schept, zal er op deze site consequent worden gesproken van bourgeoisie en middenklasse.  

Wanneer de groei van klassenbewustzijn precies begon en eindigde is ook niet voor ieder land hetzelfde. Dat had niet alleen te maken met de mate van industrialisatie maar ook met de bestaande situatie. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld vond de industrialisatie vroeg plaats, maar waren de traditionele standen zo sterk verankerd in het sociale verkeer dat deze niet zomaar uit het leven van mensen weg waren te denken. In Nederland daarentegen was juist het tegenovergestelde het geval; een late industrialisatie leverde al snel een klassenmaatschappij op omdat de standenmaatschappij hier maar oppervlakkig wortel had geschoten.

Dat gezegd hebbende, moet wel worden opgemerkt dat de aanwezigheid van een ferme standenmaatschappij een goede voedingsbodem bleek voor een even doorwrochte klassenmaatschappij. Uiteindelijk zouden in Groot-Brittannië de onderlinge tegenstellingen dan ook veel hoger oplopen dan in Nederland, waar het systeem van verzuiling zou gaan domineren over het klassenbewustzijn.  

Op basis van dergelijke onderlinge verschillen verliep de overgang in de Europese landen echter meer of minder traag en meer of minder heftig.

 

Peder Severin Krøyer - Mannen van de industrie, 1904. Er is hier duidelijk sprake van een sterk klassenbewustzijn: de ene man is nauwelijks van de andere te onderscheiden. 

 

Bourgeoisie

Het was de sociale groep die wij nu bourgeoisie noemen, die na de industrialisatie als eerste een klassenbewustzijn ontwikkelde. Deze groep bestond uit:

  • Ondernemers. Diegenen dus die de nieuwe fabrieken hadden opgezet en draaiende hielden en daarmee de bezitters werden van gebouwen, machines en arbeidskrachten. Diegenen die dat zo succesvol deden dat ze er het nodige kapitaal aan overhielden kwamen bekend te staan als 'nouveaux riches' ofwel 'nieuwe rijken'.
  • Gegoede burgers. Dat waren anderen in de maatschappij met een hooggewaardeerde positie. Hieronder vielen veel hoogopgeleiden met vrije beroepen zoals artsen, juristen, architecten of ingenieurs maar bijvoorbeeld ook bankiers, hoge ambtenaren of legerofficieren. In veel Europese steden groeide deze groep van personen flink in de 19de eeuw omdat er door de groeiende welvaart en de exploderende vraag naar (technische) specialisten steeds meer hoogopgeleiden kwamen. Tevens was het zo dat deze beroepsgroepen een proces van professionalisering doorliepen, waarbij voorwaarden werden vastgelegd waar men aan moest voldoen om zo’n beroep te mogen beoefenen. Ook werden opleidingen en examens verzorgd en beroepsverenigingen opgericht. Zo raakten de vele charlatans die men eeuwenlang in deze beroepen had gezien uitgerangeerd.

Onder deze mensen (die overigens ook gemakkelijk is te onderscheiden als een toestandsklasse) groeide het besef bezig te zijn om de maatschappelijke macht over te nemen van zowel de oude adel als van de traditionele bestuurderselite van patriciërs in de steden. Daarmee doet zich het verschijnsel van een bewustzijnsklasse voor het eerst op grote schaal voor. Binnen dat kader gingen leden van de bourgeoisie zich in toenemende mate met elkaar associëren in plaats van met hun oude stand.

Dat begon in veel Europese steden in het  begin van de 19de eeuw door de deelname van leden uit deze maatschappelijke elite aan zogeheten associaties. Dat waren plaatsen waar ze samenkwamen zoals leeskringen, koffiehuizen, sociale clubs en culturele organisaties. De beroepssamenstelling van dergelijke genootschappen kon per stad wat verschillen. Maar om lid te worden moest men natuurlijk wel een aanzienlijk lidmaatschap betalen, zodat mensen die te laag op de ladder stonden vanzelf werden geweerd.

Deze verenigingen dienen overigens niet te worden verward met traditionele salons. Salons hadden voornamelijk aristocratische bezoekers en werden vaak geleid door vrouwen. De sociëteiten van de gegoede burgerij waren doorgaans verboden voor vrouwen.

Gaandeweg raakte het ontstaan van de bourgeoisie verbonden met de ideologie van het liberalisme. Daarbinnen geloofden de rijke burgers de leidende klasse te zijn. Niet alleen omdat ze alle productiemiddelen in bezit hadden, maar ook vanwege hun ondernemingsgeest en het feit dat zij degenen waren die de maatschappij vooruitgang brachten.

De eerste ontwikkelingen in deze richting doen zich toch in Engeland voor, in weerwil van de granieten standenmaatschappij. Het land had nu eenmaal in een zeer vroeg stadium al heel veel succesvolle ondernemers. Tegen 1900 was de bourgeoisie in bijna alle Europese landen uitgegroeid tot een rijk geschakeerde klasse die fors bleef groeien.

 

William Powell Frith - Een privé bezichtiging. 1883. (cropped) Een grote groep welgestelde burgers krijgt een besloten rondleiding in een museum (vermoedelijk in Londen).

 

Arbeiders of werkende klasse

Na de bourgeoisie beseften ook arbeiders geleidelijk aan een eigen klasse te vormen. De ontwikkeling van dat bewustzijn heeft zich in drie fasen heeft voltooid.

 

Fase één

Het begon ermee dat arbeiders het besef ontwikkelden niet langer tot dezelfde sociale groep te behoren als mensen zonder werk. In de fabrieken krijgt men beduidend beter betaald dan elders, waardoor de welvaart van fabriekswerknemers stijgt. Daar waar voorheen iedereen uit de onderste lagen van de maatschappij, werkend of niet, even straatarm was, stijgen arbeiders nu boven de echt armen uit. Hoewel dat ook weer niet al te rooskleurig moet worden gezien. Het was meer een kwestie van 'minder arm' dan van 'rijker'.

Mede daarom begrijpen arbeiders ook dat ze beslist niet tot dezelfde groep behoren als hun werkgevers en andere burgers uit de bovenklasse. Dat komt eveneens doordat het al bestaande klassenbewustzijn van de bourgeoisie al vorm heeft gekregen in organisaties en bepaald gedrag. In zekere zin is het ontstaan van klassenbewustzijn bij arbeiders daar een reactie op.

Binnen deze fase hebben arbeiders hun maatschappelijk plek nog niet gedefinieerd, maar beginnen ze zichzelf op basis van economische verworvenheden los te maken van anderen.

 

Fase twee

Arbeiders realiseren zich dat ze als groep belangen hebben die in strijd zijn met die van hun werkgevers. Daardoor worden ze zich bewust van de noodzaak zich ook te organiseren en gezamenlijk op te trekken tegen die werkgevers. Dat wordt een economisch of vakbondsbewustzijn genoemd.

Meestal wordt de bewuste organisatie echter niet op de klasse als geheel afgestemd, maar op een kleinere groep mensen daarbinnen, zoals bijvoorbeeld de eigen beroepsgroep of sector. Daarmee geeft dit niet zonder meer een bewustzijn van wat de arbeidersklasse als geheel nu precies is.

 

Fase drie

Er wordt een socialistische ideologie toegevoegd aan het vakbondsbewustzijn. Deze omschrijft de arbeidersklasse als zodanig wel. Er ontstaat dan een klassenbewustzijn met de volgende kenmerken:

  • Arbeiders voelen bovenal solidariteit met elkaar en minder met andere maatschappelijke banden die ze hebben, zoals die met hun bedrijf, religie of land.
  • Arbeiders willen de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid opheffen door te streven naar een socialistische, klasseloze maatschappij, waarbij de belangrijkste productiemiddelen in gemeenschappelijke handen zijn. Men vormt dus feitelijk een klasse die geen klassenmaatschappij wil.
  • Arbeiders houden zichzelf verantwoordelijk voor het bereiken van dat doel.

Opmerkelijk is dat in de Verenigde Staten, waar nooit een ouderwetse standenmaatschappij was ontstaan, wel sterke vakbonden opkwamen, maar geen socialistische beweging. Ook dat bevestigd dat een scherp klassenbewustzijn toch voortkomt uit een scherp standsbewustzijn. Alsof de ervaring met een stand mensen helpt hun klasse beter vorm te geven.

Rond 1900 vormden in loondienst werkende arbeiders en hun gezinnen de grootste sociale klasse in geïndustrialiseerd Europa. Binnen deze klasse bestonden echter talloze gradaties die ervoor zorgden dat velen toch ook op andere arbeiders neerkeken. Zoals mannen op vrouwen, geschoolde werknemers op ongeschoolde, matrozen op havenarbeiders of diegenen met een vaste aanstellingen op dagloners. Neerkijken op arbeiders uit een ander land kwam ook veel voor. Britten keken bijvoorbeeld neer op hun Ierse collega’s en Duitse arbeiders op Polen en Italianen. Deze verschillen stelden echter weinig voor in vergelijking met de verschillen tussen leden uit de eigen klasse en die uit de middenklasse en bourgeoisie.

 

Constantin Meunier - Afdaling van mijnwerkers in de schacht, 1882. Mijnwerkers stonden zeer laag op de sociale ladder, maar organiseerden zich vaak wel en leverden zo toch een belangrijke bijdrage aan het ontstaan van de arbeidersklasse.  

 

Middenklasse of kleine burgerij

Halverwege de 19de eeuw bestond een groep mensen die men kende als de kleine burgerij volgens Karl Marx uit niet meer dan wat zelfvoorzienende boeren, traditionele ambachtslieden en kleine winkeliers. Een beeld dat voor die tijd in principe klopte, want deze 'middenstand' stelde weinig voor.

Wat niet klopte was dat Marx dacht dat deze 'overgangslaag' binnen de standenmaatschappij het einde nabij was en vermorzeld zou worden in de nieuwe industriële wereld. Dat wil zeggen, de door Marx genoemde groepen legden het inderdaad veelal af tegen grootschalige productie: handwerkslieden zouden grotendeels verdwijnen uit het serieuze productieproces en keuterboeren werden het slachtoffer van stomende nieuwe landbouwmachines. Daar stond echter tegenover dat er een grote toestroom aan andere personen binnen deze maatschappelijke laag op gang kwam. 

Zo leverde enorme uitbreidingen van het onderwijs veel (karig betaalde) leraren op, brachten de nieuwe kantoren, bijvoorbeeld in het bankiers- en verzekeringswezen, de typisch 19de-eeuwse klerk tot leven en in de onderste rangen van de middenklasse vond men bedienend huispersoneel dat in de 19de eeuw zeer talrijk was.

Winkeliers ondertussen gingen aanvankelijk totaal niet ten onder aan de industrialisatie en de bijbehorende consumptiemaatschappij, maar werden daar alleen maar beter en talrijker van. Dat veranderde wel enigszins toen er vanaf de jaren '30 warenhuizen kwamen die bepaalde kleine winkeliers uit de markt drukten, maar niet de kleinhandel van slagers, bakkers en kruideniers. Het personeel van de warenhuizen behoorde trouwens ook tot de middenstand.

In het laatste decennium van de 19de eeuw breidde deze sociale laag zich in recordtempo uit met talloze beroepsgroepen en bleek ze rijp voor het ontwikkelen van een klassenbewustzijn. Daarmee was het de laatste klasse die zich als zodanig ontwikkelde. Men kreeg de behoefte de eigen beroepsbelangen te behartigen en een sociaal leven te organiseren en kon daarvoor niet terecht bij de peperdure clubs van de bourgeoisie. Daarom besloot men eigen verenigingen op te richten. Dat bleek een succes en vanaf ongeveer 1870 gebeurde het steeds vaker.

Nog voor het einde van de eeuw beschouwde men zich in veel Europese landen als de klasse die zicht tussen de arbeiders enerzijds en de bourgeoisie en aristocratie anderzijds in bevond. Daarbij voelden middenklassers wel duidelijk meer verwantschap met diegenen die boven hen op de ladder stonden dan met 'het gepeupel' onder hen.

 

Kantoor van de Anheuser-Busch Brewing Association in St. Louis, 1880.

 

Criminele klasse of lompenproletariaat

De laagste aller klassen, bestaande uit mensen die zich niet helemaal aan de wet hielden, werd vaak omschreven als het lompenproletariaat. Wat maar aangeeft dat criminaliteit helemaal niet loonde. Niet iedereen die tot deze klasse werd gerekend was daarmee een bajesklant al telden gevangenen natuurlijk wel mee. Maar bijvoorbeeld zwervers, bedelaars, kwakzalvers, voddenrapers en messenslijpers vielen er, helaas voor hen, ook onder.

In veel opzichten bestond deze klasse niet echt, maar was zij een literair verzinsel. Veel mensen vervielen tot criminaliteit uit pure wanhoop over hun armoede en dat had uiteraard niks met een groeiend klassenbewustzijn te maken. Dat er toch wel enige sprake was van een klassenbewustzijn blijkt uit het feit dat deze groep armen hun eigen gewoonten, gebruiken en taal had. Vooral het Bargoense taalgebruik was daarbij opmerkelijk, aangezien dit zo omvangrijk was dat er woordenboeken om zijn verschenen.

 

Harold Copping - Illustratie uit Oliver Twist van Charles Dickens. Datum onbekend. Het boek werd tussen 1837 en 1839 voor het eerst in delen gepubliceerd. Het is een onverbloemde aanklacht tegen sociale wantoestanden in Engeland, met name rond kinderen en laat goed zien hoe kansloze kinderen op zeer jonge leeftijd al het criminele milieu in werden gezogen.

 

De bestendigheid van de klassenmaatschappij

De standenmaatschappij hield het meer dan een millennium vol, maar we kunnen ons afvragen of de klassenmaatschappij dat ook gaat halen. De sleet lijkt er nu, zo’n anderhalve eeuw later, al aardig in te zitten. Overal wordt de maatschappelijke ladder bepaald door sociaaleconomische motieven, maar van een alom gevoeld klassenbewustzijn is veel minder weinig sprake. Wellicht is de digitale revolutie met zijn internationale karakter, net als de industriële revolutie, sterk genoeg om alweer een nieuwe omslag in de sociale stratificatie tot stand te brengen of zal hij deze blijken af te zwakken. 

 

 

Bronnen

  • Van Tijn – 'Voorlopige notities over het ontstaan van het moderne klassenbewustzijn in Nederland.' Uit: P.A.M. Geurts en F.A.M. Messing (red.) – 'Economische Ontwikkeling en Sociale Emancipatie II'. Den Haag 1977
  • Richard J. Evans – 'De eeuw van de macht. Europa 1815-1914.' Amsterdam 2016. Hollands Diep. ISBN: 978 90 488 3640 6

Afbeeldingen

  • Wikimedia Commons (commons.wikimedia.org)