Home » Leven » Verlichting » Traditioneel

Traditionele verlichting rond 1900

Olielampje, kaars, kienspaan en toorts nog steeds gebruikt

Eenvoudige vormen van verlichting werden ook tijdens het belle époque nog gebruikt door bijna iedereen. De minder bedeelden en plattelanders hadden vaak geen andere vormen van verlichting, middenklassers moesten schipperen tussen oud en nieuw en zelfs de rijken wilden geen dure lampen op plekken waar dat niet nodig was. Verlichting en de brandstoffen die daarvoor nodig waren drukten nu eenmaal zwaar op het budget en dus moest er bedachtzaam mee worden omgesprongen. Maar onder bepaalde omstandigheden waren traditionele vormen van verlichting gewoon nog steeds de beste keus.


Ferdinand du Puigaudeau - Chinese schaduwen, het konijn. +/- 1900.

 

Geschiedenis eenvoudige vormen van kunstlicht

Welk kunstlicht waar en wanneer te gebruiken? Dat was een vraag waar mensen van de prehistorie tot ver in de twintigste eeuw regelmatig mee bezig waren. De echt armen zullen zich zelfs bijna dagelijks hebben afgevraagd of ze dat olielampje of die kaars wel zouden aansteken. Of het licht dat dit zou opleveren dringend genoeg gewenst was.

In ieder geval behoorden rond 1900 eenvoudige lampjes, kaarsen en andere traditionele vormen van verlichting nog steeds tot de keuzes voor basisverlichting en waren ze nog niet gereduceerd tot louter sfeerverlichting zoals bij ons het geval is. Opvallend, want al deze lichtbronnen bestonden al vele eeuwen, vaak al sinds de oudheid of zelfs de prehistorie.

Lees in het inleidende artikel over Verlichting rond 1900 meer over de keuzes die mensen hadden. 

Traditionele, eeuwenoude verlichting bestond uit de onderstaande categorieën:

  • Vlamlicht. Hieronder vallen vormen van verlichting die slechts met een enkel vlammetje bijlichten, zoals kaarsen, vetpotjes en olielampjes die werken met een lont. De aanwezigheid van een lont is sowieso typerend voor de meeste van deze lichtbronnen. Dit in tegenstelling tot lampen die werken met een brander.
  • Vuurdragers. Dit waren over het algemeen draagbare lichtbronnen die je mee kon nemen of in een houder plaatsen. Aan het uiteinde brandde ze volop, waardoor ze veel licht gaven, maar ook tamelijk gevaarlijk waren. Voorbeelden zijn toortsen, fakkels, kienspanen en biezen van rivierplanten. 

Veel mogelijkheden dus, maar zoals blijkt hadden ze allemaal voor- en nadelen waardoor het van de situatie en beschikbare middelen afhing wat er werd gekozen. 

 

Henrietta Rae - Florence Nightingale, 1881-1891. De beroemde verpleegkundige had als bijnaam 'The lady with the lamp'. Aangezien ze in een veldhospitaal op de Krim werkte ( in de jaren '50 van de 19de eeuw) was dat een zeer eenvoudig olielampje.

 

Eenvoudige verlichting in huis rond 1900

Lange tijd konden lichtbronnen met vlamlicht of vuurdragers nog wel eens de belangrijkste vorm van kunstlicht in ruimtes zijn, met name als er geen haard was. Was er wel een haard, was dat vaak ook de belangrijkste lichtbron en fungeerden andere vormen van verlichting als aanvullend op dat van het vuur. Welgestelden hadden dan waarschijnlijk kaarsen op de schoorsteenmantel staan, boeren op het platteland hadden biezen of kienspanen in een houder aan de wand en iedereen had wel ergens een paar olielampjes staan of hangen.

Dat veranderde geleidelijk na de komst van de Argand olielamp in 1783 en meer nog na de komst van de petroleumlamp rond 1860. Deze lampen gaven zoveel meer licht dat ze in de belangrijkste ruimtes van het huis, zoals de woonkamer, keuken en eventuele studeer- of werkkamers, het primaat overnamen. Dat gebeurde niet overal even snel en in afgelegen gebieden mogelijk helemaal niet, maar na 1870 was de situatie toch wel significant veranderd.

Dat wilde niet zeggen dat traditionele, eenvoudige verlichting niet meer nodig was. Gezien de hoge kosten van brandstoffen was zuinigheid nog steeds vereist. Daarom werden kaarsen en olielampjes nog steeds gebruikt in ruimtes waar groter licht niet nodig was, zoals in schuurtjes, voorraadkamers of toiletten (vaak nog buitenshuis). Of in ruimtes waar dit niet eens gewenst was, zoals de slaapkamer of (indien aanwezig) de badkamer.

Boeren of turfstekers die gratis biezen konden oogsten of kienhout opgraven in het veen hadden waarschijnlijk geen motivatie om over te stappen op lampen waar ze wel voor moesten betalen.

 

Jan Hendrik van Grootvelt - Een familie aan het eten in een interieur, 1851. Hier is goed te zien hoe het olielampje op tafel aanvullend is op het licht van de haard.  

 

Lantaarns: draagbaar en geschikt voor buitenshuis

De behoefte van de mens aan draagbaar licht is zeer oud. De toorts was de eerste vorm van kunstlicht nadat het vuur was uitgevonden en dat is veelzeggend. Na het vuur kwam draagbaar vuur. Uiteindelijk zouden bijna alle traditionele lichtvormen draagbare varianten krijgen. Dat wil zeggen, vuurdragers zijn per definitie draagbaar (al dan niet met houder) en olielampjes of kaarsen kun je binnenshuis, als je voorzichtig doet en het vlammetje afschermt, ook best dragen.

Het enige dat niet ging was vlamlicht buitenshuis of op tochtige plekken dragen of neerzetten. Toch was daar wel behoefte aan, omdat het in veel situaties niet wenselijk is om met een woest brandende toorts op stap te gaan of deze op te hangen. Het antwoord daarop was de lantaarn, een winddicht kastje waar een ring of ander hulpstuk aan zat om hem gemakkelijk te kunnen dragen.

Net als tegenwoordig nog het geval is, bestonden lantaarns in alle vormen en maten. Er waren ronde, vierkante en zeshoekige modellen. Voor de toevoer van zuurstof en de afvoer van rook en walmen zaten er gaten in het dakje van de lantaarn of had de lantaarn een zogeheten snuiver. Dat is een verhoginkje op de lantaarn met gaatjes erin.

Lantaarns zijn waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen ontworpen en bestonden al snel in twee typen:

  • Het eerste was een kastje met raampjes die het licht doorlieten, waarvan er eentje een deurtje vormt. Aanvankelijk waren de ruitjes van hoorn, maar dat gaf troebel licht. Daarom werden ze later van glas gemaakt. Toch verdwenen exemplaren met hoorn niet geheel uit beeld, waarschijnlijk omdat ze een stuk goedkoper waren. Ze bestonden nog tot in de tweede helft van de 19de eeuw.
  • De tweede soort was metalen omhulsel waar een groot aantal gaten in was gemaakt. Hier hoeft niet altijd een snuiver op. Het metaal beschermde de vlam goed tegen alle weersinvloeden, maar de gaten lieten het licht slecht door. Daarom kwam dit type toch een stuk minder voor.

Helaas boden ook lantaarns niet bepaald een zee van licht. Om aan een beetje extra licht te komen kon je het deurtje opzetten zodra dat mogelijk was.

De meeste lantaarns waren kaarslantaarns; erop gemaakt om kaarsen in te zetten (bijvoorbeeld door een aan de lantaarn vastzittende kaarsenhouder). Vaker dan wij in onze tijd denken werden ook olielampjes in lantaarns vervoerd, al waren die van zichzelf vaak beter bestand tegen wind en tocht.  

 

Victor De Donker - Jong meisje verlicht een lantaarn, 1871. 

 

Olie- en vetlampjes met lont

Eenvoudig olie- en vetlampjes behoren tot de oudste lichtbronnen die er bestaan en dateren terug tot ver in de prehistorie. Daarmee waren ze beduidend ouder dan de kaars. Deze lampjes hadden belangrijke voordelen op andere lichtbronnen als kaarsen, fakkels of open vuur.

  • Goedkoop. Olielampjes en vetpotjes waren zuinig in het gebruik en daarmee een goedkope vorm van verlichting. De brandstof ging relatief gezien lang mee, zeker als het lichtje een goede lont had . Als je er handig en op de juiste manier mee omging, kon je bovendien besparen op de kosten.
  • Onder veel omstandigheden bruikbaar. Bij veel typen lampjes bleef het vlammetje onder de bovenrand van het reservoir, waardoor wind en tocht er niet eens zoveel vat op kregen. Hierdoor konden de lampjes ook redelijk goed in de buitenlucht worden gebruikt en op tochtige plekken.
  • Veel variëteit. Een kaars is een kaars en een toorts is een toorts, maar olielampjes kwamen in allerlei soorten en maten. Al in de oudheid was het assortiment ruim, maar door de eeuwen werd het steeds groter. 
  • Relatief veilig. Men hoefde de brandende lampjes nauwelijks in de gaten te houden omdat ze in vergelijking met andere lichtbronnen, zoals bijvoorbeeld toortsen, maar weinig brandgevaar met zich meebrachten.

Een nadeel was dat olielampjes niet zo netjes in het gebruik waren. Het bijvullen ging met het nodige geknoei gepaard, de pit lekte aldoor en de hele zaak kon flink walmen. Vetvlekken op het meubilair en roetneerslag in de kamer waren maar al te vaak het betreurenswaardige gevolg.
Gelukkig kon men dergelijke overlast beperken door te zorgen dat de lengte en dikte van de lont in de juiste verhouding stonden tot de inhoud van het reservoir en door de pit regelmatig bij te knippen om verkoolde gedeelten te verwijderen. 
In de loop der tijd zijn de lampjes wel verbeterd, maar echt schoon in het gebruik zijn ze nooit geworden.

 

Leandro Bassano - Penelope, 1575-1585. Het lampje is een zogeheten weverslampje, een gesloten lampje met maar één opening, dat erop was gemaakt om boven een weefgetouw te hangen. 

 

Soorten olielampjes rond 1900

In de nieuwe tijd na 1870 vormden olielampjes nergens meer de hoofdverlichting, maar hadden ze dus wel nog een belangrijke aanvullende functie, met name voor de verlichting in huis en soms als draagbaar licht (hoewel de meeste olielampjes moeilijk te dragen waren zonder te knoeien). Bekende typen waren:

  • Het tuitlampje. Dit kwam al in de oudheid voor, maar is altijd populair gebleven. Het was een dicht lampje met een tuit waar de lont doorheen liep. Het voordeel was dat dit lampje veel minder morste dan andere.
  • Lampen met lekbakjes. Deze hadden een klein bakje onder de lont, zodat de door de pit opgezogen olie niet meer op de tafel drupte maar in het bakje.
  • De snotneus.  Dit was een variant op de tuitlamp die veel voorkwam in de Lage Landen en zijn naam dankte aan een constant druipende pit. De lamp had een cilindervormig reservoir dat op een vrij hoge, smalle steel stond. Onder de tuit zat een opvanggleuf, waarvandaan de afdruipende olie terugliep naar een tweede bakje in het reservoir, zodat deze alsnog kon worden gebruikt.
  • De Bettie-lamp. Bij dit lampje blijft de tuit binnen de randen van het reservoir, waardoor de overtollige olie meteen terug drupt in datzelfde reservoir. 
  • Verstelbare lampjes. Deze zaten vast aan een staaf en konden daardoor in hoogte worden versteld. 

Behalve het tuilampje stammen al deze typen uit de middeleeuwen of de periode vlak daarna. In de 18de eeuw kwam er wel nog het volgende interessante nieuwe type bij:

  • Lampje met twee pitten. Een lamp met twee, op de juiste afstand van elkaar geplaatste pitten geeft meer licht dan twee afzonderlijke lampen, omdat de extra warmte die dan vrijkomt een intensere vlam afgeeft. Uiteindelijk lukte het Benjamin Franklin om zo'n lampje te ontwerpen. 

 

Caspar Netscher - Fluit spelende jongen in het schijnsel van een olielamp, 1664,1665. Het lampje is een snotneus. 

 

Lampolie

In principe waren er verschillende soorten olie beschikbaar, maar zoals met alles in deze periode speelden zaken als beschikbaarheid en geld een belangrijke rol bij de keuze en niet alleen de kwaliteit.

Van de beste kwaliteit waren:

  • Olijfolie. Dat stond bekend als de beste olie omdat het erg zuiver is. In plaatsen waar het werd geproduceerd (bijvoorbeeld in landen rond de Middellandse Zee) was het wel goedkoper te verkrijgen dan elders. Toch werd het zowel daar als in Europa met name gebruikt in heiligdommen.
  • Walvisolie. De beste walvisolie was gemaakt van de zogenaamde spermaceti die in de kop van potvissen zit. Dit is geen sperma maar een doorschijnende waterige stof die bij blootstelling aan de lucht in een melkwitte crème verandert (waardoor het weinig verrassend is dat zeelieden er deze naam aan gaven). Potvissen slaan tot wel 3 ton spermaceti op in een holte in hun hoofd. Helaas is niet met zekerheid bekend waarom, al geloven steeds meer wetenschappers dat het de walvis helpt met duiken in de diepte.
  • Walvistraan. Dit werd ook wel smeer of alleen traan genoemd. Het is een olie die word verkregen door het onder hoge druk uitkoken van het vetweefsel (ook bekend als blubber) van baleinwalvissen. Het was vooral beschikbaar in de VS, dat een relatief gigantisch grote walvisvaart had. In Europa zat er een hoge belasting op traan, waardoor velen het niet konden of wilden betalen.

Van goede kwaliteit en wel veel gebruikt in Noord-Europa waren:

  • Raapolie of koolzaadolie. Dit was olie afkomstig uit zaden als koolzaad, lijnzaad of raapzaad of uit andere plantaardige producten als huttentut. Vaak werd het ook raapolie of koolzaadolie genoemd als het zaad van een andere plant afkomstig was, want men zag het verschil niet. Aanvankelijk werd de olie uit de zaden geperst, maar later werd deze in speciale molens 'geslagen'.

Andere opties maar met nadelen waren:

  • Terpentijnolie. Deze werd uit terpentijn (hars opgelost in etherische oliën) gedestilleerd. Deze olie gaf uitstekend licht, maar terpentijn had als instabiel materiaal wel de onfortuinlijke neiging te ontploffen. Daarom was dit alleen een geschikte olie voor durfals.

  • Visolie. Deze brandde niet slecht, maar de stank moest je wel kunnen hebben als gebruiker. 

Lees hier meer over de geschiedenis van de olielamp.

 

 

Amédée Masclef - Botanische afbeelding van de Brassica Napus L. ofwel het koolzaad, 1891. Rechts onderin staan de zaden afgebeeld. Geel bloeiende koolzaadvelden zijn een lust voor het oog. In Nederland en België werd raapolie op afstand het meest gebruikt.

 

Kaarsen

Kaarsen zijn waarschijnlijk in de 7de of 6de eeuw voor Chr. uitgevonden door de Etrusken. Via hen kwamen ze terecht bij de Romeinen, die het product uiteindelijk over hun hele rijk hebben verspreid. Dat mag verrassend heten omdat kaarsen minder geschikt zijn voor gebruik in een warme klimaat, aangezien ze dan smelten.

In de middeleeuwen werd de kaars meer dan ooit gebruikt als lichtbron en ontstond het ambacht van kaarsenmaker. In veel steden kregen kaarsenmakers zelfs grote en machtige gilden. Toch betrof het een vrij luxe artikel, dat vooral werd gezien in huizen van welgestelden. 

Wat niet wilde zeggen dat kaarsen nu zoveel licht gaven. Een klein lichtje in de duisternis was het. Zeker aangezien mensen minder kaarsen gebruikten dan wij zouden doen, vaak maar een of twee tegelijk. Een vijfarmige kandelaar als leuke vorm van sfeerlichting was er zelfs in rijke huishoudens niet echt bij!

Vanaf de 15de eeuw kwamen er eenvoudige werktuigen op de markt waarmee mensen zelf kaarsen konden maken. Daar werd met name op het platteland dankbaar gebruik van gemaakt, omdat men daar talg, het basismateriaal voor een kaars, zelf kon maken van het vet van geslachte dieren. Dat maakte de kaars goedkoop en dus interessant voor boeren. In Groot-Brittannië wisten de kaarsenmakersgilden in 1709 een wet af te dwingen die het thuis maken van kaarsen verbood, maar in hoeverre de Britse boeren daar ook gehoor aan hebben gegeven is niet duidelijk.

Lees hier meer over de geschiedenis van de kaars

 

Jan Hendrik van Grootvelt -  Drie generaties in een interieur in kaarslicht, 1836. Op dit schilderij is goed te zien hoe weinig licht mensen hadden als ze het van een enkele kaars moesten hebben. 

 

Traditionele grondstoffen voor kaarsen

Van oudsher kende men twee basismaterialen om kaarsen van te maken, namelijk talg en bijenwas. Daarbij gaf dat laatste veel betere kwaliteit, maar het was zoveel duurder dat de meeste kaarsen toch van talg werden gemaakt. Na de middeleeuwen deed ook hier dat vreemde spermaceti van zich spreken. 

 

Talg

Talg was feitelijk niet meer dan vet en werd gemaakt van allerlei voorhanden zijnde typen vet, zowel van plantaardige als dierlijke oorsprong. Kaarsen hiervan gemaakt worden allemaal talgkaarsen genoemd, ongeacht het soort vet.

Hoewel het een hoog smeltpunt heeft, smolt talg relatief snel waardoor talgkaarsen zo erg sputterden dat ze constant moesten worden gesnoten. Talg brandde ook met ongelijkmatig licht en stonk, waarbij gold dat hoe ouder de kaars hoe meer stank hij afgaf.

 

Bijenwas

Waskaarsen, gemaakt van bijenwas, brandden vele beter dan vetkaarsen. Ze gaven gestaag licht en hoefden veel minder vaak te worden gesnoten. Voor de prijs van een waskaars had je echter vier talgkaarsen. Daarom werden ze vooral gebruikt bij ceremoniële, met name religieuze gelegenheden of in zeer rijke huishoudens.

De katholieke kerk had al vroeg in de middeleeuwen een dringende voorkeur voor waskaarsen. Dat kwam ook omdat bijen golden als maagdelijke dieren en daardoor werden geassocieerd met de Heilige Maagd Maria. Aldus kwamen er voorschriften die stelden dat in kerken en kloosters gebruikte kaarsen een bepaald minimum percentage aan bijenwas moest bezitten. tegenwoordig gelden die regels nog steeds.

 

Spermaceti

In documentatie over kaarsen wordt het vaak vergeten, maar ook kaarsen werden wel gemaakt van wondermiddel spermaceti, vooral nadat in de 18de eeuw de walvisvaart enorm was toegenomen. Deze kaarsen stonden bekend als praktisch geurloos, harder dan kaarsen van zowel talg als was en zelfs bestand tegen een warm klimaat. En dan waren ze niet al te duur bovendien.

 

Pascal Dagnan-Bouveret - Zegening van het jonge paar voor hun huwelijk, 1880. Een uitgekiende gelegenheid voor het gebruik van een waskaars. 

 

Verbeteringen aan de kaars vanaf 1800 

Toen uitvinders in de loop van de 18de eeuw naarstig op zoek gingen naar betere vormen van verlichting, moest ook de kaars eraan geloven. Deze had namelijk de neiging nogal te walmen en te druipen. De onderstaande uitvindingen hebben dit verholpen of minstens sterk teruggebracht:

  • Hardere kaarsen. In 1816 ontdekte de Franse chemicus Henri Braconnot een manier om de vetten in talg zodanig te bewerken dat ze harder werden. Dat maakte dat kaarsvet minder snel smolt en de kaars minder sputterde. Als je bovendien 20% was toevoegde brandde de kaars nog beter.
  • Een pit van gevlochten katoen. Deze werd in 1825 gepatenteerd door de Franse ingenieur Jules Cambacérès. Oudere pitten waren van gedraaid katoen. Pitten van gevlochten katoen verkoolden echter lang niet zo erg, waardoor het walmen nagenoeg ophield.
  • Het toevoegen van stearinezuur en palmatinezuur. In 1823 publiceerde de Franse chemicus Michel Eugéne Chevreul (1786- 1889) een baanbrekend onderzoek over dierlijke vetten. Hij ontdekte onder meer dat het verwijderen van glycerine uit het talg kaarsen minder vettig en harder maakte en ze beter liet branden dan onbehandelde talg. Door zuren als stearine en palmatine toe te voegen aan het kaarsvet werd het smeltpunt van het vet bovendien hoger en daarmee het druipen minder. Vanaf ongeveer 1830 werden stearinekaarsen succesvol geproduceerd, zij het helaas voor hem niet door Chevreul zelf, die een te omslachtig procedé ontwikkelde. Toch zette hij de belangrijkste stap vooruit in de verbetering van de kaars.
  • Kaarsen met paraffine. Paraffine is een uit aardoliegesteente verkregen brandstof. In 1830 werd het ontdekt door wetenschapper Baron Carl von Reichenbach. In gesmolten toestand kan het worden vermengd met vetten, bijenwas en stearine. Door een laag smeltpunt brandt paraffine goed, maar is het geen stabiele grondstof voor een kaars. Daarom was een mengsel van grondstoffen het meest ideaal: paraffine voor het branden en stearine voor de stevigheid. In 1839 kwamen de eerste paraffinekaarsen op de markt in Parijs en Manchester, maar ze bleven een optie onder andere opties. In latere jaren werd het proces nog verschillende keren verbeterd, waardoor de verkoop verder steeg. Tussen 1880 en 1885 werd paraffine tenslotte dé basisstof voor kaarsen. Voortaan werd het gemaakt van residu dat overbleef nadat petroleum uit ruwe aardolie was gedestilleerd. Deze kaarsen branden schoon en lieten nauwelijks een geur achter.    

Al deze vernieuwingen kwamen echter te laat om de kaars als belangrijke bron van licht te behouden, tenminste in de belangrijkste leefruimtes in huis. Hin werd teruggedrongen tot een bijrol in  Tenslotte bestonden de beste kaarsen bij de gratie van petroleum en dus ook bij de gratie van de breed uitstralende petroleumlamp.   

 

Pieter Geerard Sjamaar - Marktscène bij maneschijn, datum onbekend (grofweg rond 1850). Avondmarkten met behulp van olielampen en kaarsen kwamen al bij de Romeinen voor en gingen nog tot in de 20ste eeuw door. Andere vormen van verlichting waren in de kramen niet mogelijk en vaak was er niet afdoende straatverlichting. 

 

Kaarsen rond 1900

Al deze vernieuwingen kwamen echter te laat om de kaars als belangrijke bron van licht te behouden, tenminste in de belangrijkste leefruimtes in huis. Tenslotte bestonden de beste kaarsen bij de gratie van petroleum en dus ook bij de gratie van de breed uitstralende petroleumlamp. Toch waren er nog steeds plekken waar de kaars zijn hoofdrol niet kwijtraakte.  

In slaapkamers bleef hij bijvoorbeeld de belangrijkste vorm van verlichting. Mensen hadden daar geen groot licht nodig en vonden het vaak zelfs niet wenselijk. Ook nu gebruiken wij in slaapkamers vaak nog gedempt licht, bijvoorbeeld van een bedlampje. Nog tot de brede verspreiding van elektrisch licht bleef de kaars mensen hun favoriete bedlampje. Dit eventueel in combinatie met schermpjes van melkglas die de vlam tegen de tocht beschermde en de ogen tegen het licht als dat toch nog te fel was. Dat kon bijvoorbeeld bij mensen die ziek in bed lagen goed voorkomen. 

Afgezien daarvan was de kaarslantaarn rond 1900 de belangrijkste vorm van draagbaar licht, in ieder geval in de steden. Toortsen en fakkels hadden zo hun nadelen en de zaklamp werd weliswaar in 1899 uitgevonden, maar kwam pas na de Eerste Wereldoorlog echt als gebruiksartikel beschikbaar.

 

Albert Anker - Boer, lezend in bed I, datum onbekend maar uiterlijk 1910. 

 

Verlichting door vuurdragers

Naast lampjes en kaarsen die vlamlicht gaven, kende men ook verlichting door vuurdragers als fakkels van biezen, kienspanen en toortsen. Dat was wel iets voor op het platteland en kwam in steden niet echt voor.  

Er waren speciale houders waar dit soort vuurdragers in konden worden vastgeklemd. Dergelijke houders konden van verschillende materialen zijn gemaakt, maar metaal en klei kwamen als niet brandbare materialen het meeste voor.

Vuurdragers werden vooral gebruikt op de volgende plekken:

  • In huis aan de muur, ook al moest de (vaak houten) vloer dan wel worden beschermd tegen rondspattende vonken door er vuurbestendig materiaal overheen te leggen. Kienspanen of biezen werden ook vaak naast de haard gehangen voor extra licht, omdat daar het spatten weinig uitmaakte.
  • Als draagbare verlichting bij het doen van werkzaamheden in of rond de boerderij.
  • In de stal als men daar in het donker moest zijn bij een ziek dier of een geboorte.
  • De toorts heeft terecht de naam gangen in kastelen te hebben voorzien van verlichting. Maar daar waren zowel de vloeren als de muren dan ook van steen. 

 

Aleksander Lauréus - Een veerboot met vee en passagiers, 1808. De man op de voorgrond lijkt niet veel te geven om brandveiligheid met zijn toorts en pijp en dat op een waarschijnlijk van hout gemaakt schip.

 

Fakkels van biezen

Internationaal gezien was de meest voorkomende eenvoudige en goedkope vorm van verlichting op het platteland die van als fakkels gebruikte biezen. Deze waren afkomstig van rivierplanten, met name de pitrus (pit-rus, Juncus effusus) die een bolle stengel heeft. 

De biezen werden in kleine stroken van een halve meter gesneden en vervolgens bedekt met een laagje dierlijk vet (meestal afkomstig van schapen). Ze brandden als een dunne kaars, maar wel maar voor zo'n vijftien tot twintig minuten. Daarmee had men voor één avond bijverlichting nog een aardige hoeveelheid biezen nodig.

Slechts een maal per jaar, in het voorjaar, trok men erop uit om de biezen te oogsten. Dan moest men dus wel goed berekenen wat men dacht een heel jaar lang nodig te hebben en daar een ruime opslagplaats voor vrijhouden.

Keuterboeren maakten graag gebruik van biezen, maar ook hier gold dat als ze geen dieren hadden om te slachten, ze ook geen vet hadden om de de biezen mee in te smeren. En dus hadden ze dan behalve geen vlees op tafel ook geen verlichting.

 

 

Jacob Sturm - Pitrus, Juncus effusus. Botanische tekening uit 1796. 

 

Kienspanen of spanen van harshoudend hout

Een tegenwoordig vergeten vorm van verlichting was die door middel van kienspanen of spanen van andere harshoudende stukken hout. Deze werden rond 1900 echter nog volop gebruikt op het platteland. Ook spanen kon men gratis of heel goedkoop krijgen, mits men woonde in gebieden waar geschikt hout letterlijk voor het oprapen lag.

 

Kienspaan

Een kienspaan was gemaakt van zogeheten kienhout. Dat is hout dat in het veen heeft gelegen en daar gedeeltelijk is versteend. Om het geschikt te maken voor huiselijk gebruik moest het wel eerst zorgvuldig worden gedroogd. Kienhout werd gedolven door turfstekers en (net als de turf zelf) in eerste instantie gebruikt in de open haard.

Van het hout kon men echter ook spanen afhalen om in daar speciaal voor gemaakte houders te zetten of in een spleet in de muur te duwen. Deze spaanders brandden goed en gaven sterk licht. Nadeel was wel dat ze, net als biezen, vrij snel waren opgebrand. 

Kienspanen werden ook wel gebruikt als een soort toorts bij het doen van werkzaamheden buitenshuis. Nogal verrassend droegen mannen de spaan dan in hun mond om hun handen vrij te houden voor de werkzaamheden. Handig wellicht, maar waarschijnlijk hebben de betreffende mannen er toch een hoge littekenprijs voor betaald.

Als bijproduct van het turfsteken was kienhout met name verkrijgbaar in veenrijke gebieden en hun omgeving. Dat was uiteraard het geval in zompig Nederland, waar sinds de oudheid tot in de 20ste eeuw turf werd gestoken door het hele land heen. De kienspaan was dan ook zeker op het Nederlandse platteland een bekende lichtbron tot halverwege de 20ste eeuw. Verder kwam hij ook in Duitsland veel voor.

 

Spanen van harshoudend hout

In Europese streken waar geen veen was, gebruikte men ook spanen van andere soorten hout op grofweg dezelfde manier. Dat was wel bij voorkeur harshoudend hout, want dat brandde extra goed.

 

Julius von Ehren - Turfstekers, 1903. 

 

Toortsen, fakkels en flambouwen

Zo'n 75.000 jaar voor Christus is de mensheid begonnen met de eerste vuurdragers te gebruiken in de vorm van toortsen en fakkels. Tegenwoordig gebruiken wij de termen 'toorts', 'fakkel' en 'flambouw' door elkaar heen. Officieel zijn er echter wel degelijk onderlinge verschillen, namelijk de onderstaande:

  • Toorts. Dit is een langwerpig, brandbaar voorwerp dat aan het einde is ingesmeerd met vet, waardoor alleen het uiteinde brand. Het kan een stok van harshout zijn, samengebalde spaanders of in elkaar gedraaide hennepvezels. Later is men de benaming 'toorts' ook gaan gebruiken voor een op een stok samengebonden bundel kaarsen.
  • Fakkel. In principe is dit louter een stuk hout dat in willekeurig welk brandbaar middel is gedrenkt, maar andere materialen dan hout zijn ook mogelijk. Daarmee is dit woord vrij breed bruikbaar.
  • Flambouw. Een flambouw is een stok of een staak die is omwikkeld met pitten van touw die zijn gedrenkt in gesmolten was of hars. De term verwijst ook wel eens naar een in de hand gedragen kaars.

Aanvankelijk droeg men toortsen of fakkels gewoon in de hand. Later gebruikte men steeds meer beschermende houders tegen de spattende vonken. Deze bestonden in simpele maar ook luxe uitvoeringen. Tevens kwamen er muurhouders waar de toorts in kon worden gezet.

Lees hier meer over verlichting door vuurdragers.

 

Adolph von Menzel - Fakkeloptocht van studenten, 1859. Nog tot in de 20ste eeuw was fakkeloptocht een geijkte manier van demonstreren.  

 

Toortsen rond 1900

In principe hadden toortsen rond 1900 hun beste tijd wel gehad. Het was relatief gezien een gevaarlijke vorm van verlichting en werd zeker niet meer binnenshuis gebruikt. Zelfs niet in kastelen, omdat ze daar toch regelmatig moesten worden gecontroleerd door wachters, wat een kostbare aangelegenheid was.

Mogelijk dienden toortsen nog wel op sommige plaatsen als buitenverlichting. In principe gebruikte men daar liever kaarslantaarns voor, maar die gaven beduidend minder licht. Dus daar waar meer licht nodig was, kon een toorts toch nog de oplossing zijn.

Ook bij bepaalde weersomstandigheden was de toorts nog steeds de beste keus. Dat was met name het geval als er bij storm of overstromingen noodwerkzaamheden buitenshuis verricht moesten worden, bijvoorbeeld aan dijken. Toortsen zijn zeer bestendig tegen weer en wind en geven ruim licht. Daarom is bij dergelijke gelegenheden de toorts nog tot in de 20ste eeuw gebruikt en in Nederland dus zeker ook. Na 1895 was er op dit punt wel toenemende concurrentie van lantaarns die werkten op gas van carbid

 

 

Isaac Weissenbruch - Allegorische vrouw met fakkel en lantaarn boven de stad, prent, rond 1900. De lantaarn lijkt een carbidlantaarn te zijn. De prent geeft aan dat zowel de stokoude toorts als de moderne lantaarn naast elkaar werden gebruikt.

 

Rond 1900: meer keus dan ooit

Zoals gezegd moesten mensen die licht in huis wilden altijd al tal van keuzes maken. Niet alleen tussen olielampjes, kaarsen of vuurdragers, maar ook uit brandstoffen die men wilde gebruiken: welke olie koop je voor je lampjes, wat gebruik je als vuurdrager. Tot halverwege de 19de eeuw werden die keuzes echter beperkt door de beschikbaarheid van bepaalde brandstoffen.

Dat veranderde in de loop van de 19de eeuw niet alleen maar door de komst van nieuwe typen lampen als de gaslamp en de petroleumlamp. Ook binnen de verschillende vormen van eenvoudige verlichting kwam er meer keus voor veel mensen. 

Omdat men sinds de 18de eeuw op echt iedere manier beter licht probeerde te krijgen, hielden uitvinders zich ook nog steeds bezig met traditionele vormen van verlichting. Zo kwamen er nieuw typen olie en de verbeterde kaarsen op de markt. Zoveel zelfs dat niet alles daarvan in dit artikel besproken kon worden. Men kan zich echter voorstellen dat de 19de-eeuwer die boodschappen ging doen tegen zoveel verschillende oliën en soorten kaarsen zal hebben aangekeken, dat het hem er soms van duizelde.

Daarnaast speelt echte ook de enorme, door trein en stoomboot geïnstigeerde, groei van vrachtvervoer een rol. Daardoor waren mensen steeds minder afhankelijk van lokaal beschikbare producten. Misschien wel nog in afgelegen gebieden, waar niet veel vrachtverkeer naartoe ging. Aangezien lampolie en kaarsen houdbare producten zijn, konden ze zelfs daar wel verzeild raken, voor zover de plattelanders in kwestie ze niet zelf maakten. 

 

Adolph von Menzel - Bal met souper, 1878. De kroonluchter met kaarsen bleef ook nog lang populair. 

 

 

Bronnen

Afbeeldingen

  • Victor De Donker: Wikimedia Commons / 'l'Illustration Européenne' 1871 no.1 p. 8 
  • Brassica Napus L.: Wikimedia Commons /  'Atlas des plantes de France'. 1891
  • Juncus effusus: Wikimedia Commons / Johann Georg Sturm - 'Deutschlands Flora in Abbildungen', 1796. 
  • Wikimedia Commons (commons.wikimedia.org)