Home » Leven » Verlichting » Traditioneel

NB: Dit artikel wordt momenteel vernieuwd. Daardoor kan er tijdelijk foutieve, onvolledige of dubbele informatie op de pagina staan. Excuses voor het ongemak.

Traditionele verlichting rond 1900

Olielampje, kaars, kienspaan en toorts nog veel gebruikt

Eenvoudige vormen van verlichting werden ook tijdens het belle époque nog volop gebruikt door bijna iedereen. De minder bedeelden hadden geen andere vormen van verlichting, middenklassers moesten schipperen tussen oud en nieuw en zelfs de rijken wilden geen dure lichtbronnen op plekken waar dat niet nodig was. Verlichting en de brandstoffen die daarvoor nodig waren drukten nu eenmaal zwaar op het budget en dus moest er bedachtzaam mee worden omgesprongen. Maar onder bepaalde omstandigheden waren traditionele vormen van verlichting gewoon de beste keus.


Ferdinand du Puigaudeau - Chinese schaduwen, het konijn. +/- 1900.

 

Eenvoudige vormen van kunstlicht

Welk kunstlicht waar en wanneer te gebruiken? Dat was een vraag waar mensen nog tot ver in de twintigste eeuw regelmatig mee bezig waren. De echt armen zullen zich zelfs bijna dagelijks hebben afgevraagd of ze dat olielampje of die kaars wel zouden aansteken. Of het licht dat dit zou opleveren dringend genoeg gewenst was.

In ieder geval waren rond 1900 binnen de vele keuzes aan verlichting die men toen had eenvoudige lampjes, kaarsen en andere eenvoudige vormen van verlichting nog dringend aanwezig. Opvallend, want al deze lichtbronnen bestonden al vele eeuwen, vaak zelfs al sinds de oudheid of soms zelfs de prehistorie.

Lees in het in leidende artikel over Verlichting rond 1900 meer over de keuzes die mensen hadden. 

Deze traditionele eeuwenoude verlichting kwam in de onderstaande categorieën:

  • Vlamlicht. Hieronder vallen vormen van verlichting die slechts met een enkel vlammetje bijlichten, zoals kaarsen, vetpotjes en olielampjes die werken met een lont. De aanwezigheid van een lont is sowieso typerend voor de meeste van deze lichtbronnen. Dit in tegenstelling tot lampen die werkten met een brander.
  • Vuurdragers. Dit waren over het algemeen draagbare lichtbronnen die je mee kon nemen of in een houder plaatsen. Aan het uiteinde brandde ze volop, waardoor ze veel licht gaven, maar ook tamelijk gevaarlijk waren. Voorbeelden zijn toortsen, fakkels, kienspanen en biezen van rivierplanten. 

Veel keus dus, maar zoals duidelijk blijkt hadden ze allemaal voor- en nadelen waardoor het van de situatie en beschikbare middelen afhing wat er werd gekozen. 

 

Henrietta Rae - Florence Nightingale, 1881-1891. De beroemde verpleegkundige had als bijnaam 'The lady with the lamp'. Aangezien ze in een veldhospitaal op de Krim werkte ( in de jaren '50 van de 19de eeuw) was dat een zeer eenvoudig olielampje.

 

Gebruik in huis rond 1900

Lange tijd konden lichtbronnen met vlamlicht of vuurdragers nog wel eens de belangrijkste vorm van kunstlicht in ruimtes zijn, met name als er geen haard was. Was er wel een haard, was dat vaak ook de belangrijkste lichtbron. In dergelijke ruimtes fungeerden andere vormen van verlichting dan als aanvullend op dat van het vuur. Welgestelden hadden dan waarschijnlijk kaarsen, arme boeren op het platteland biezen of kienspanen en iedereen had wel ergens een paar olielampjes staan.

Dat veranderde geleidelijk na de komst van de Argand olielamp in 1783 en meer nog na de komst van de petroleumlamp rond 1860. Deze lampen gaven zoveel meer licht dat ze in de belangrijkste ruimtes van het huis, zoals de woonkamer, keuken en eventuele studeer- of werkkamers het primaat langzaam maar zeker overnamen. Dat gebeurde niet overal even snel en in afgelegen gebieden meestal helemaal niet, maar na 1870 was de situatie toch wel significant veranderd.

Dat wilde niet zeggen dat traditionele, eenvoudige verlichting niet meer nodig was. Gezien de hoge kosten van brandstoffen was zuinigheid nog steeds vereist. Daarom werden kaarsen, olielampjes en vuurdragers nog steeds gebruikt in ruimtes waar groter licht niet nodig was, zoals in schuurtjes, voorraadkamers of toiletten (vaak nog buitenshuis). Of in ruimtes waar dit niet eens gewenst was, zoals de slaapkamer of (indien aanwezig) de badkamer. 

 

Albert Anker - Boer, lezend in bed I, datum onbekend maar uiterlijk 1910. 

 

Lantaarns

De behoefte van de mens aan draagbaar licht is zeer oud. De toorts was de eerste vorm van kunstlicht nadat het vuur was uitgevonden en dat is veelzeggend. Na het vuur kwam draagbaar vuur. Uiteindelijk zouden bijna alle traditionele lichtvormen draagbare varianten krijgen. Dat wil zeggen, vuurdragers zijn per definitie draagbaar (al dan niet met houder) en olielampjes of kaarsen kun je binnenshuis, als je voorzichtig doet en het vlammetje afschermt, ook best dragen.

Het enige dat niet ging was vlamlicht buitenshuis gebruiken of op tochtige plekken. Toch was daar wel behoefte aan, omdat het in veel situaties niet wenselijk is om met een woest brandende toorts op stap te gaan. Het antwoord op dat probleem was de lantaarn, een winddicht kastje waar een ring of ander hulpstuk aan zat om hem gemakkelijk te kunnen dragen.

Lantaarns zijn waarschijnlijk in de vroege middeleeuwen ontworpen en bestonden al snel in twee typen:

  • Een kastje met ruitjes die het licht doorlieten, waarvan er eentje een deurtje vormt. Aanvankelijk waren de ruitjes van hoorn, maar dat gaf troebel licht. Daarom werden ze later van glas gemaakt. Toch verdwenen exemplaren met hoorn niet geheel uit beeld, waarschijnlijk omdat ze een stuk goedkoper waren. Ze bestonden nog tot in de tweede helft van de 19de eeuw.
  • Een metalen omhulsel waar een groot aantal gaten in was gemaakt. Hier hoeft niet altijd een snuiver op. Het metaal beschermde de vlam goed tegen alle weersinvloeden, maar de gaten lieten het licht slecht door. Daarom kwam dit type toch een stuk minder voor.

Net als tegenwoordig nog het geval is, bestonden lantaarns in alle vormen en maten. Er waren ronde, vierkante en zeshoekige modellen. Voor de toevoer van zuurstof en de afvoer van rook en walmen zaten er gaten in het dakje van de lantaarn of had de lantaarn een zogeheten snuiver. Dat is een verhoginkje op de lantaarn met gaatjes erin.
Helaas boden ook lantaarns niet bepaald een zee van licht. Om aan een beetje extra licht te komen kon je het deurtje opzetten zodra dat mogelijk was.

De meeste lantaarns waren erop gemaakt om kaarsen in te zetten (bijvoorbeeld door een aan de lantaarn vastzittende kaarsenhouder), maar vaker dan wij in onze tijd denken werden ook olielampjes in lantaarns vervoerd. 

 

Victor De Donker - Jong meisje verlicht een lantaarn, 1871. 

 

Olie- en vetlampjes met lont

Eenvoudig olie- en vetlampjes behoren tot de oudste lichtbronnen die er bestaan en dateren terug tot ver in de prehistorie. Daarmee waren ze beduidend ouder dan de kaars. Deze lampjes hadden belangrijke voordelen op andere lichtbronnen als kaarsen, fakkels of open vuur.

  • Goedkoop. Olielampjes en vetpotjes waren zuinig in het gebruik en daarmee een goedkope vorm van verlichting. De brandstof ging relatief gezien lang mee, zeker als er een goede lont was. Als je handig en op de juiste manier met het lampje omging, kon je bovendien nog extra besparen op de kosten.
  • Onder veel omstandigheden bruikbaar. Bij veel typen lampjes bleef het vlammetje onder de bovenrand van het reservoir, waardoor wind en tocht er niet zo goed vat op kregen. Hierdoor konden de lampjes ook redelijk goed in de buitenlucht worden gebruikt en op tochtige plekken.
  • Veel variëteit. Een kaars is een kaars en een toorts is een toorts, maar olielampjes kwamen in allerlei soorten en maten. Al in de oudheid was het assortiment ruim, maar door de eeuwen werd het steeds groter. 
  • Relatief veilig. Men hoefde de brandende lampjes nauwelijks in de gaten te houden omdat ze in vergelijking met andere lichtbronnen, zoals bijvoorbeeld toortsen, maar weinig brandgevaar met zich meebrachten.

Een nadeel was dat olielampjes niet zo netjes in het gebruik waren. Het bijvullen ging met het nodige geknoei gepaard, de pit lekte aldoor en ze konden flink walmen. Vetvlekken op het meubilair en roetneerslag in de kamer waren maar al te vaak het betreurenswaardige gevolg.
Gelukkig kon men dergelijke overlast wel beperken door te zorgen dat de lengte en dikte van de lont in de juiste verhouding stonden tot de inhoud van het reservoir en door de pit regelmatig bij te knippen om verkoolde gedeelten te verwijderen. 
In de loop der tijd zijn de lampjes wel verbeterd, maar echt schoon in het gebruik zijn ze nooit geworden.

 

Leandro Bassano - Penelope, 1575-1585. Het lampje is een zogeheten weverslampje, een gesloten lampje met maar één opening, dat erop was gemaakt om boven een weefgetouw te hangen. 

 

Soorten olielampjes rond 1900

In de nieuwe tijd na 1870 vormden olielampjes nergens meer de hoofdverlichting, maar hadden ze dus wel nog een belangrijke aanvullende functie, met name voor de verlichting in huis en soms als draagbaar licht (hoewel de meeste olielampjes moeilijk te dragen waren zonder te knoeien). Bekende typen waren:

  • Het tuitlampje. Dit kwam al in de oudheid voor, maar is altijd populair gebleven. Het was een dicht lampje met een tuit waar de lont doorheen liep. Het voordeel was dat dit lampje veel minder morste dan andere.
  • Lampen met lekbakjes. Deze hadden een klein bakje onder de lont, zodat de door de pit opgezogen olie niet meer op de tafel drupte maar in het bakje.
  • De snotneus.  Dit was een variant op de tuitlamp die veel voorkwam in de Lage Landen en zijn naam dankte aan een constant druipende pit. De lamp had een cilindervormig reservoir dat op een vrij hoge, smalle steel stond. Onder de tuit zat een opvanggleuf, waarvandaan de afdruipende olie terugliep naar een tweede bakje in het reservoir, zodat deze alsnog kon worden gebruikt.
  • De Bettie-lamp. Bij dit lampje blijft de tuit binnen de randen van het reservoir, waardoor de overtollige olie meteen terug drupt in datzelfde reservoir. 
  • Verstelbare lampjes. Deze zaten vast aan een staaf en konden daardoor in hoogte worden versteld. 

Behalve het tuilampje stammen al deze typen uit de middeleeuwen of de periode vlak daarna. In de 18de eeuw kwam er wel nog het volgende interessante nieuwe type bij:

  • Lampje met twee pitten. Een lamp met twee, op de juiste afstand van elkaar geplaatste pitten geeft meer licht dan twee afzonderlijke lampen, omdat de extra warmte die dan vrijkomt een intensere vlam afgeeft. Uiteindelijk lukte het Benjamin Franklin om zo'n lamp uit te vinden. 

 

Caspar Netscher - Fluit spelende jongen in het schijnsel van een olielamp, 1664,1665. Vermoedelijk een snotneus. 

 

Lampolie

In principe waren er verschillende soorten olie beschikbaar, maar waren er, zoals met alles in deze tijd, speelden zaken als tijd, plaats en geld een belangrijke rol bij de keuze en niet alleen de kwaliteit.

Van de beste kwaliteit waren:

  • Olijfolie. Dat stond bekend als de beste optie omdat het erg zuiver is. In plaatsen waar het werd geproduceerd (bijv. in landen rond de Middellandse Zee) was het wel goedkoper te verkrijgen dan elders. Toch werd het zowel daar als in Europa met name gebruikt in heiligdommen.
  • Walvisolie. De beste walvisolie was gemaakt van de zogenaamde spermaceti die in de kop van potvissen zit. Dit is geen sperma maar een doorschijnende waterige stof die bij blootstelling aan de lucht in een melkwitte crème verandert (waardoor het niet verrassend is dat zeelieden er deze naam aan gaven). Potvissen slaan tot wel 3 ton spermaceti op in een holte in hun hoofd. Helaas is niet met zekerheid bekend waarom, al lijkt het de walvis te helpen met duiken in de diepte.
  • Walvistraan. Dit werd ook wel smeer of alleen traan genoemd. Het is een olie die word verkregen door het onder hoge druk uitkoken van het vetweefsel (ook bekend als blubber) van baleinwalvissen. Het was vooral beschikbaar in de VS (dat een relatief gigantisch grote walvisvaart had). In Europa zat er een hoge belasting op traan, waardoor velen het niet konden of wilden betalen.

Van goede kwaliteit en wel veel gebruikt in Noor-Europa waren:

  • Raapolie of koolzaadolie. Dit was olie afkomstig uit zaden als koolzaad, lijnzaad of raapzaad of uit andere plantaardige producten als huttentut. Vaak werd het ook raapolie of koolzaadolie genoemd als het zaad van een andere plant afkomstig was, want men zag het verschil niet. Aanvankelijk werd de olie uit de zaden geperst, maar later werd het deze in speciale molens 'geslagen'.

Andere opties maar met nadelen waren:

  • Terpentijnolie. Deze werd uit terpentijn (hars opgelost in etherische oliën) gedestilleerd. Deze olie gaf uitstekend licht, maar terpentijn had als instabiel materiaal wel de onfortuinlijke neiging te ontploffen. Daarom was dit alleen een geschikte olie voor durfals.

  • Visolie. Deze brandde niet slecht, maar men kan zich de stank voorstellen. 

Lees hier meer over de geschiedenis van de olielamp.

 

 

Amédée Masclef - Botanische afbeelding van de Brassica Napus L. ofwel het koolzaad, 1891. rechts onder staan de zaden afgebeeld. Geel bloeiende koolzaadvelden zijn een lust voor het oog. In Nederland en België was raapolie op afstand het meest gebruikt.

 

Kaarsen

Kaarsen zijn waarschijnlijk in de 7de of 6de eeuw voor Chr. uitgevonden door de Etrusken. Via hen kwamen ze terecht bij de Romeinen, die kaarsen uiteindelijk over hun hele rijk hebben verspreid. Dat mag verrassend heten omdat kaarsen minder geschikt zijn voor gebruik in een warme klimaat, aangezien ze dan smelten.

In de middeleeuwen werd de kaars meer dan ooit gebruikt als lichtbron en ontstond het ambacht van kaarsenmaker. In veel steden kregen kaarsenmakers zelfs grote en machtige gilden. Toch bleef de kaars een vrij luxe artikel, dat vooral werd gezien in huizen van welgestelden.

Vanaf de 15de eeuw kwamen er echter eenvoudige werktuigen op de markt waarmee mensen zelf kaarsen konden maken. Daar werd met name op het platteland dankbaar gebruik van gemaakt, omdat men daar talg, het basismateriaal voor een kaars, zelf kon maken van het vet van geslachten dieren. Dat maakte de kaars goedkoop en dus interessant voor boeren. In Groot-Brittannië wisten de kaarsenmakersgilden in 1709 een wet af te dwingen die het thuis maken van kaarsen verbood, maar hoeveel de Britse boeren daar gehoor aan hebben gegeven is niet duidelijk. 

Toen uitvinders in de loop van de 18de eeuw naarstig op zoek gingen naar betere vormen van verlichting, moest ook de kaars eraan geloven. Deze had namelijk de neiging nogal te walmen en te druipen. De onderstaande uitvindingen hebben dit verholpen of minstens sterk teruggebracht:

  • Een pit van gevlochten katoen. Deze werd in 1825 gepatenteerd door de Franse ingenieur Jules Cambacérès. Oudere pitten waren van gedraaid katoen. Pitten van gevlochten katoen verkoolden echter lang niet zo erg, waardoor het walmen nagenoeg ophield.
  • Zijn landgenoot Chevreul ontdekte vervolgens 'stearinezuur' en 'palmatinezuur'. Door dat toe te voegen aan het kaarsvet werd het smeltpunt van het vet hoger en daarmee het druipen minder. Dit laatste verdween bijna geheel door de pit bovendien te behandelen met bepaalde zouten.
  • In het midden van de 19de eeuw werd het door de uitvinding van parrafine mogelijk om kaarsen veel goedkoper te produceren dan voorheen.


De nieuwe vindingen kwamen echter te laat om de kaars als belangrijke bron van licht te behouden. 

 

 

 

 

 

De krantenrol snijden en stompjes kaars smelten. 1917 (Bron: Wikimedia)

Zelf thuis kaarsen maken was een stuk goedkoper dan ze kopen. Hier worden nieuwe kaarsen gemaakt van opgebrande stompjes, maar veel boeren maakten ook kaarsen uit eigen vet. 

 

Kienspanen en biezen

Een tegenwoordig vergeten vorm van verlichting was die door middel van kienspanen, biezen of andere harshoudende stukken hout. Deze werden rond 1900 echter nog volop gebruikt op het platteland. Een belangrijk voordeel van dergelijke verlichting was dat men ze gratis of heel goedkoop kon krijgen.

Een kienspaan was een zogeheten 'vuurdrager' die deed denken aan een fakkel. Hij was gemaakt van zogeheten kienhout. Dat was hout dat in het veen had gelegen en daar gedeeltelijk was versteend. Het werd gedolven door turfstekers en gebruikt in de open haard. Men kon er echter ook spanen vanaf halen en die op laten branden. 

Daar waar men geen kienhout had, kon men in plaats van de kienspaan ook biezen van rivierplanten, met name de pit-rus, bewerken tot vergelijkbare vuurdragers. In Europese streken waar geen veen was, gebruikte men ook spanen van andere soorten hout. Dat was wel bij voorkeur harshoudend hout, want dat brandde extra goed.

Er waren speciale houders waar al dit soort vuurdragers in konden worden vastgeklemd. Ze werden vooral gebruikt op de volgende plekken:

  • In huis aan de muur, ook al moest de vloer wel worden aangepast op rondspattende vonken. Kienspanen werden ook vaak naast de haard gehangen voor extra licht, omdat daar het spatten weinig uitmaakte.
  • Als draagbare verlichting bij het doen van werkzaamheden in of rond de boerderij. Hierbij hielden de mannen de kienspaan nogal eens vast met hun mond (!).
  • In de stal als men daar in het donker moest zijn bij een ziek dier of een geboorte.

 

Toortsen

In principe had de toorts of fakkel zo rond 1900 zijn beste tijd wel gehad. Het was relatief gezien een gevaarlijke vorm van verlichting en werd zeker niet meer binnenshuis gebruikt. Toch waren er nog omstandigheden waarbij de toorts de beste keus was. Dat was met name het geval als er bij storm of overstromingen noodwerkzaamheden buitenshuis verricht moesten worden, bijvoorbeeld aan dijken. Toortsen zijn zeer bestendig tegen weer en wind en geven ruim licht. Daarom is bij dergelijke gelegenheden de toorts nog tot in de 20ste eeuw gebruikt. 

Lees hier meer over verlichting door vuurdragers.

 

 

Bronnen

  • Plettenburg M. - 'Licht in huis: kienspaan-kaars-olielamp.' Arnhem 1968
  • Bill Bryson – Een huis vol. Een kleine geschiedenis van het dagelijks leven. Amsterdam 2010,2011. Olympus.
  • Stokroos M. - 'Verwarmen en verlichten in de negentiende eeuw.' Zutphen 2001
  • https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/55099-olielampen-door-de-eeuwen-heen.html (13-1-2021)
  • https://www.researchgate.net/profile/Jaime_Wisniak/publication/236233362_Candle_-_A_Light_Into_the_Past/links/0deec519d0625df8ef000000/Candle-A-Light-Into-the-Past.pdf
  • Wikipedia Nederland (nl.wikipedia.org) - 'Walvistraan'/ 'Terpentijn'

Afbeeldingen

  • Victor De Donker: Wikimedia Commons / l'Illustration Européenne 1871 no.1 p. 8 
  • Brassica Napus L.: Wikimedia Commons /  Atlas des plantes de France. 1891
  • Wikimedia Commons (commons.wikimedia.org)