Uitvindingen van speelgoed rond 1900

Modern speelgoed door technische vooruitgang en nieuwe materialen

Speelgoed is wellicht niet het eerste gebied waar men aan denkt in relatie tot het onderwerp uitvindingen. Tenslotte is het geen eerste levensbehoefte en wordt er vrij weinig maatschappelijk en historisch belang aan gehecht. Dat is niet terecht. Af en toe hebben ook uitvindingen op het gebied van speelgoed grote invloed gehad. Soms hebben ze de weg bereid voor andere uitvindingen en/of hebben ze de manier waarop kinderen werden opgevoed en leefden sterk beïnvloed. Rond 1900 vallen een aantal trends op. Zo is er speelgoed dat werd bedacht om kinderen te leren omgaan met techniek, maar ook speelgoed dat gemaakt kon worden dankzij nieuwe techniek. Afgezien daarvan maakten ook enkele nieuwe materialen nieuw speelgoed mogelijk.

 

Thomas Eakins - De baby speelt, 1876. Bron: Wikimedia Commons/ National Gallery of Art (Washington D.C.)

 

Speelgoed rond 1870

Tegen de tijd dat het jaar 1870 aanbrak bestond er al een uitgebreide speelgoedindustrie in Europa en de Verenigde Staten. Dat was niet voortgekomen uit de industriële revolutie, maar uit een drukke huisnijverheid die al tijdens de 18de eeuw uitgroeide tot industrie. Dominant in de markt was de Duitse speelgoedindustrie met als centrum Neurenberg.

Desondanks werd speelgoed ook nog steeds gemaakt door ambachtslieden als meubelmakers, wagenmakers en tinnegieters, die het maakten naast hun andere producten. Dat was doorgaans wel duurder speelgoed.   

Gespecialiseerde speelgoedwinkels bestonden nog niet. Speelgoed werd meestal gekocht bij marskramers. Vele van hen trokken met speelgoed alleen rond, anderen hadden speelgoed naast andere producten.

Al in de tweede helft van de 17de eeuw doken nieuwe pedagogische ideeën op, die het kind een heel eigen belevingswereld toekenden en het niet langer aanmerkte als een klein model volwassene. Speelgoed kreeg binnen deze theorieën een dubbele functie: kinderen moesten er nog steeds graag mee spelen, maar het werd ook in toenemende mate geacht leerzaam te zijn en het kind te helpen voor bereiden op het volwassen leven. 

Daar was echter niet iedereen het mee eens en rond 1870 was de discussie over leerzaam speelgoed nog steeds gaande. In de jaren hierna zou hij zelfs een nieuwe impuls krijgen door de vele nieuwe soorten speelgoed die op de markt kwamen.

Lees hier meer over de geschiedenis van speelgoed in de 18de eeuw.

     

Mark William Langlois - De speelgoedverkoper van het dorp, 1876. Bron: Wikimedia Commons/ Reading Museum 

 

Spelen met techniek

Na 1870 zwol geleidelijk de kritiek aan op de invloed die de techniek kreeg op speelgoed en de kinderen die ermee speelden. Veel mensen hadden daar problemen mee. Ze beklaagden zich over hoe het nieuwe speelgoed de jeugd tot in huis zittende bleekneusjes maakte. Vergelijkbaar dus met veelgehoorde hedendaagse klachten over kinderen en (spel)computers. 

Wellicht heeft de klacht enige effect gehad, want het duurde opvallend lang voordat techniek zich met speelgoed ging bemoeien. Ook op schilderijen staan kinderen nauwelijks ooit met technisch speelgoed afgebeeld.

De eeuwwisseling werd evengoed een belangrijk markeringspunt binnen deze discussie. In het kielzog van een groeiende groep pedagogen begon men te begrijpen dat het spelen met techniek van wezenlijk belang was voor het kind. Jong geleerd was immers oud gedaan. Een kind moest al op jonge leeftijd met techniek leren omgaan, omdat het anders als volwassene de ontwikkelingen niet meer bij kon benen.

Mede als gevolg daarvan kwamen er producten op de markt waar met name jongens graag mee speelden. Al zouden ze er ook in de nieuwe eeuw nog steeds zelden tot nooit mee worden afgebeeld. 

 

Doviane (Auguste Viande) - Spelende kinderen in de tuin,  voor1887. Bron: Wikimedia Commons

Kinderen die buiten spelen met eenvoudige hoepels en springtouwen was en bleef eeuwenlang het ideaal, getuige ook de idyllische manier waarop de spelende meisjes hier zijn afgebeeld.

Stoomspeelgoed en andere machines

De eerste vorm van technisch speelgoed dat in de jaren '40 van de 19de eeuw op de markt kwam was stoomspeelgoed. Dat was anderhalve eeuw na de uitvinding van de stoommachine in 1764, wat wel aangeeft hoe traag de ontwikkelingen in speelgoedland volgden op die in de wereld.

Het betrof vooral miniaturen van stoommachines of van stoomlocomotieven, eventueel met wagons. In de jaren '90 van de 19de eeuw werden deze buitengewoon populair.

Ook miniatuurversies van andere machines waren geliefd, opvallend vaak betrof het dan speelgoeduitvoeringen van voertuigen. Een aantal interessante uitvindingen op dit gebied waren:

  • Een luchtschip met wentelende schroef uit 1887.
  • De eerste modeltreinbaan (met veermechanisme) door Märklin in 1891.

 

Maker of merk onbekend - Pompwagen op stoom (brandweerwagen), tussen 1860 en 1890. Bron: Wikimedia Commons/ Missouri History Museum

 

Elektrisch speelgoed

Na ongeveer 1885, enige decennia na het stoomspeelgoed, kwam er geleidelijk aan ook elektrisch speelgoed op de markt. Dat liep al meer gelijk op met ontwikkelingen in de eigen tijd, maar toch later dan mogelijk was geweest. Dat had meer praktische redenen dan opvoedkundige.

  • Batterijen, lang van slechte (lees: onveilige) kwaliteit, waren sterk verbeterd en konden voortaan worden gebruikt voor speelgoed.
  • Door de toenemende verspreiding van elektriciteitsnetten beschikten steeds meer mensen over elektriciteit.
  • Massaproductie, van belang voor het rendabel kunnen produceren van veel speelgoed, lukte steeds beter.
  • Er kwamen nieuwe synthetische materialen, zoals plastic, beschikbaar. Ook dat maakte de fabricage gemakkelijker en goedkoper.

Opnieuw waren voertuigen favoriet. Opvallend genoeg was het eerste elektrische speelgoed echter geen trein, maar een monorail. Deze kwam al in 1887 op de markt. De eerste elektrische trein was rond 1900 te bewonderen.

 

Thomas O'Conor Sloan - Elektrische libelle en bij, 1914. Afbeelding uit het Amerikaanse boek T. O'Conor Sloane - Electric toy making for amateurs, 1914.

Zelf elektrisch speelgoed maken was erg populair rond 1900. Boeken met ideeën zoals het heir vermelde boe waren er meerdere.

 

Meccano

Vanaf de laatste twee decennia van de 19de eeuw werd er ook speelgoed uitgevonden dat kinderen actief aan de slag liet gaan met techniek. Het grootste succesverhaal binnen dit kader is de uitvinding van Meccano in 1901 door de Brit Frank Hornby (1863-1936). Hij bedacht de dozen waarin losse mechanische onderdelen zaten die kinderen zelf aan elkaar konden monteren.

Al snel werd het mogelijk hier hele bouwwerken mee te maken, zoals bijvoorbeeld de Eiffeltoren. Verder waren er pakketten met treinen of andere voertuigen die men na het in elkaar zetten kon laten rijden, meestal m.b.v. een batterij. Aanvankelijk noemde Hornby zijn product MechanicsMadeEasy, zodat er geen misverstand kon bestaan over de pedagogische waarde ervan. Pas later zou dat veranderen in het bondigere Meccano.

Lees meer over de geschiedenis van technisch speelgoed in het artikel: Technisch speelgoed tot 1914.

 

Maker onbekend - Advertentie voor Meccano in het Franse tijdschrift Excelsior, december 1913. Bron: Wikimedia Commons/ Retronieuws

Frank Hornby - Eerste patentaanvraag voor MechanicsMadeEasy uit 1901 met een hijskraan als onderwerp. Bron: Wikmedia Commons

 

Al snel werd het mogelijk hier hele bouwwerken mee te maken, zoals bijvoorbeeld de Eiffeltoren. Verder waren er pakketten met treinen of andere voertuigen die men na het in elkaar zetten kon laten rijden, meestal m.b.v. een batterij. Aanvankelijk noemde Hornby zijn product MechanicsMadeEasy, zodat er geen misverstand kon bestaan over de pedagogische waarde ervan. Pas later zou dat veranderen in het bondigere Meccano.

Lees meer over de geschiedenis van technisch speelgoed in het artikel: Technisch speelgoed tot 1914.

 

Uitgelicht

Frank Hornby en de uitvinding van Meccano

Frank Hornby (1863-1936) is niet een naam die iedereen kent. Toch werd hij een van de meest succesvolle uitvinders van zijn tijd. Dat was niet zo gepland, want hij was een bescheiden man. Hij kwam spontaan op het idee van montagespeelgoed en dat bleek vervolgens op de juiste tijd op de juiste plaats te zijn gebeurd.

In 1899 besloot Hornby, een eenvoudige Engelse kantoorklerk, om zelf constructiespeelgoed te gaan maken voor zijn twee zoons (en misschien ook een beetje voor zijn dochter). Daarbij maakte hij losse stukken die zijn kinderen dan in elkaar konden zetten tot één geheel, bijvoorbeeld een brug of een trein. Al doende bedacht hij dat het veel leuker zou zijn als de stukken demontabel waren en aldus opnieuw bruikbaar. Nadat hij een systeem had bedacht waarmee de stukken in elkaar konden worden gezet met moeren en bouten, liet hij het zijn kinderen uitproberen. Die bleken de hemel te rijk.

In 1901 raadde iemand Hornby aan om een octrooi aan te vragen. Dat deed hij met wat financiële hulp van zijn baas (een vleesimporteur) en hij kreeg het patent. 

Het product kwam op de markt als 'MechanicsMadeEasy'. De fabrikant in kwestie bakte er echter niet veel van en het product werd niet direct een succes. Opnieuw besloot zijn baas, die wel iets in de onderneming zag, om bij te springen. Zo werden de twee Britten zakenpartners.

Frank Hornby

Maker onbekend - Frank Hornby, datum onbekend. Bron: Wikimedia Commons, 5 december 2011 (foto inmiddels verwijderd)

 

De rest is geschiedenis. In 1908 werd het bedrijf 'Meccano Ltd.' opgericht en vanaf toen zou alles wat Frank Hornby aanraakte veranderen in goud. Dat kwam ook omdat er in Engeland grote nood was ontstaan aan technisch speelgoed. Het Engelse onderwijs bleef op dit punt namelijk ver achter bij dat in Duitsland en dat was om politieke redenen destijds onacceptabel voor het Britse Wereldrijk. 

Nog voor de Eerste Wereldoorlog was 'Meccano Ltd.' internationaal marktleider binnen de speelgoedindustrie. En dat zou na de oorlog een nieuwe impuls krijgen toen het bedrijf in 1934 een nieuwe kaskraker op de markt bracht met de fameuze Dinky Toys. 

 

Spelen dankzij nieuwe techniek

Er kwam ook nieuw speelgoed op de markt dat werkte dankzij nieuwe technieken, maar dat voor de bediening geen speciale vaardigheden vroeg. De technische vooruitgang maakte ook op dit gebied dingen mogelijk die voorheen niet konden.

Feitelijk was dat geen onbekend fenomeen in de speelgoedwereld, want op mechanisch gebied waren er al dergelijke ontwikkelingen sinds in de 17de eeuw de opwindbare veer werd uitgevonden door horlogemakers. Toch waren er ook in de 19de eeuw weer mechanische vernieuwingen.  

In de loop van de 19de eeuw werd echter in het bijzonder veel vooruitgang geboekt op het gebied van geluidstechniek en beeldtechniek en die twee verbeteringen zouden de speelgoedwereld meer bezighouden dan andere.

Optisch speelgoed

Optisch speelgoed bestond al langer. De toverlantaarn bijvoorbeeld, de voorloper van de diaprojector, is al rond 1654 uitgevonden door Christiaan Huygens. Niettemin kende de 19de eeuw vooral tijdens de jaren '30 veel verbeteringen en nieuwe producten op optisch gebied. Vaak stonden deze aan het begin van de ontwikkeling van de cinematografie

 

Maker onbekend, Franse school - Meisje met een toverlantaarn, 18de eeuw. Bron: Wikimedia Commons/ Dulwich Picture Gallery

De toverlantaarn zou de hele 19de eeuw door nog populair blijven. De film werd immers pas in 1895 uitgevonden en moest daarna nog naam maken, al ging dat razendsnel. De onderstaande vormen van optisch speelgoed liepen tussen 1870 en 1914 ook goed.

De zoötroop

Een zoötroop is een zogeheten animatie-instrument dat op eenvoudige wijze bewegende beelden laat zien. Het is een ruime, rechtopstaande cilinder met gleuven erin. Aan de binnenkant van de cilinder zijn afbeeldingen gemaakt. Als de cilinder rond wordt gedraaid en je kijkt door de sleuven zie je de beelden aan de binnenkant als bewegende beelden. Dit wordt ook wel het stroboscopische principe genoemd. 

De zoötroop kwam voort uit de fenakistiscoop of fantasmascoop. Die beoogde vergelijkbare effecten maar met draaiende schijven waarmee je voor een spiegel moest gaan staan. De grote namen achter dat animatie-instrument en daarmee voorlopers van de filmtechniek waren de Belgische uitvinder en natuurkundige Joseph Plateau (1801-1883) en zijn Oostenrijkse collega wetenschapper Simon (von) Stampfer (1790 of 92 - 1864). Zij vonden in de winter van 1832/33 bijna tegelijkertijd hetzelfde instrument uit. De fenakistiscoop was een tijd lang erg populair, maar werd van de markt gedrukt door de handigere zoötroop.

 

Joseph Plateau

Joseph Pelizzaro - Jospeh Plateau, 1843. Bron: Wikimedia Commons 

Simon Stampfer

Josef Kriehuber - Simon Stampfer, 1842. Bron: Wikimedia Commons

 

Tussen 1833 en 1865 bestonden nog verschillende variaties op de fenakistiscoop of er werden ideeën daartoe geopperd in wetenschappelijke tijdschriften. In 1865 vond de 18-jarige Amerikaanse student William Ensign Lincoln echter de zoötroop uit, wat hij expliciet voor zich zag als speelgoed. Daarop zocht hij contact met spellenmaker en lithograaf Milton Bradley and Co., later bekend als MB. In 1867 kreeg hij het patent in de meerdere landen in samenwerking met Milton Bradley. 

 

De Amerikaans patentaanvraag uit 1867 van uitvinder William E. Lincoln voor de zoötroop, gelabeld als 'toy'. Bron: Wikimedia Commons

De langwerpige afbeelding onderin is een voorbeeld van een animatiestrip die binnenin de cilinder kon worden geplaatst.

 

Een belangrijke verbetering van Lincoln was dat hij de sleuven bovenin de cilinder had geplaatst, waardoor deze boven de strip met animaties zaten. Hierdoor kon deze strip gemakkelijk vervangen worden door een andere. 

In 1868 kwam de Schotse uitvinder James Clerk Maxwell (1831-1879) met een sterk verbeterde versie van de zoötroop. In plaats van sleuven plaatse hij holronde lenzen in de cilinder. Je kon het beeld dan in het midden van het apparaat bekijken en het gaf een beter en rustiger beeld. Deze versie zou echter nooit op de markt verschijnen. Men kan zich voorstellen dat de lenzen het geheel een beetje te duur maakte voor speeltje. 

 

Maker onbekend - Zoötroop animatiestrip van een hond die een bal vangt, ± 1860. Bron: Wikimedia Commons/ Cooper Hewitt, Smithsonian Design Museum

De praxinoscoop

In 1877 kwam er wel een opvolger voor zoötroop in de vorm van de praxinoscoop. Deze was uitgevonden door de Franse wetenschapper en leraar Charles-Émile Reynaud (1844-1918). Hij voegde prismatische spiegels en een lamp toe aan de zoötroop, waardoor er een rustiger en kleurrijker beeld werd verkregen. Reynaud zou in 1889 ook een grotere versie produceren die beelden kon projecteren en werd daarmee echt een filmpionier.

 

Maker onbekend - Praxinoscoop van Reynaud, 1880. Bron: Wikimedia Commons

Een man kijkt gebiologeerd door de juiste kant van een praxinoscoop, terwijl het meisje er gewoon naar kijkt. Beide manieren van kijken waren mogelijk en niet iedere praxinoscoop had dan ook zo'n kijkkastje. 

Louis Poyet - Praxinoscoop die ook kan projecteren, 1882. Bron: Wikimedia Commons/ La Nature, revue des sciences, 1882, n° 492

 

De stereoscoop 

In het kort gezegd is een stereoscoop een voorloper van wat na de Tweede Wereldoorlog een viewmaster of View-Master is gaan heten en een wat andere vorm kreeg. Het idee achter de stereoscoop is dat je twee identiek foto's door twee speciale lenzen bekijkt, een foto en lens voor ieder oog. Het beeld dat je daardoor te zien krijgt is driedimensionaal.

Om twee exact dezelfde foto's te krijgen is een speciale techniek van fotograferen nodig die stereofotografie heet. De gemaakte dubbelfoto heet een stereofoto. Het concept van de stereoscopie werd in 1838 bedacht door de Engelse wetenschapper uitvinder Charles Wheatstone (1802-1875), die spiegels gebruikte. Deze werd nooit echt op de markt gebracht.

 

Charles Wheatstone

Samuel Laurence - Sir Charles Wheatstone, 1868 Bron: Wikimedia Commons/  W.D. Hackmann - Apples to Atoms, 1986

David Brewster

W. Holl (ets) naar H. Raeburn (schilderij) - Sir David Brewster, 1847. Bron: Wikimedia Commons/ National Library of Medicine

 

In 1849 ontwikkelde de Schotse wetenschapper en uitvinder David Brewster (1781-1868) een handzaam type sterescope met lenzen. Deze bleek wel geschikt voor productie op grote schaal en zou er zelfs in allerlei verschillende vormen komen. Brewster werd zelf de eerste fabrikant en zou het bekendste merk in stereoscopen blijven.   

In de stereoscoop past maar één set foto's tegelijkertijd. Wilde je een andere plaatje zien, moest je de stereofoto vervangen. De viewmaster, die in 1939 werd ontwikkeld, werkt met ronde schijven waar veertien beeldjes op passen, wat betekend dat je zeven foto's met één schijf kunt kijken.    

Maker onbekend - Aangepaste stereoscoop van het bekende merk Brewster, 1882. Bron: Wikimedia Commons/ Popular Science Monthly, Volume 21

David Brewster was de eerste serieuze producent van stereoscopen. 

Maker onbekend - Stereoscoop met een handvat waarmee je de afstand tot de afbeeldingen handmatig kon aanpassen, 1882. Bron: Wikimedia Commons/ Popular Science Monthly, Volume 21

Sprekende poppen

Een vorm van speelgoed waar veel om te doen was, is de fonografische pop. Het moge duidelijk zijn dat het een droom was voor veel meisjes om een pop te hebben die kan praten. Sinds de helft van de 19de eeuw werd daar dan ook moeite voor gedaan, al schoot dat aanvankelijk maar matig op. Poppen konden hooguit een paar woorden zeggen (al zijn veel kinderen daar ook al heel blij mee). 

Echt schot kwam er in de hele zinnen sprekende pop toen Thomas Edison (1847-1931) zelf zich ermee ging bemoeien. Dat gebeurde nadat hij in 1877 de fonograaf had uitgevonden. Daarna hoefde hij deze alleen maar zien te verkleinen om in een pop te passen. In 1878 was dat al afdoende gelukt om het patent aan te vragen. Desondanks kwam zijn fonografische pop pas in 1889 grootschalig op de markt.

Daarna verzeilde Edison, zoals bij zijn meeste uitvindingen, in een heftige juridische strijd verzeild met concurrenten. Hij kwam daar niet altijd als winnaar uit en zo kwamen er in de jaren '90 van de 19de eeuw nog tal van andere pratende poppen op de markt. De bekendste daarvan was de Bébé Phonograph uit 1893, gemaakt door de beroemde Franse poppenfabrikant Jumeau.

 

Cover van het wetenschappelijke tijdschrift Scientific American van april 1890, met illustraties rondom Edisons fonografische pop. Het toont de pop, zowel aangekleed als open, het laat zien hoe een jonge meisje de wasrol die van binnen zat inspreekt, geeft een afbeelding van de fabriek en eentje van het mechanisme dat in de pop zat. 

 

Bewegende poppen

Bij de tweede meisjesdroom van een bewegende pop ging de ontwikkeling trager en in meer stappen. Opwindbare poppen waren moeilijker te produceren als ander speelgoed met een veer, omdat men het mechanisme niet afdoende wist te verstoppen. In de tweede helft van de 19de eeuw komt de fabricage van dergelijke poppen echter toch op gang. Daarna gaat het snel. 

In de jaren '80 van de 19de eeuw liep poppengigant Jumeau wel zelf voorop met het ontwerp van een geheel nieuw soort poppenlijf dat de ledematen getrouwer deed bewegen. Dit werkte met kogelgewrichten en elastieken en het zou nog tot ver in de 20ste eeuw worden gebruikt.

Hierna komen er ook poppen die konden lopen, al zijn die niet terug te voeren op een specifieke uitvinder of fabrikant. Rond de eeuwwisseling zijn er zelfs poppen die konden kruipen of zwemmen, die wagentjes voorttrokken, bellen bliezen of hun neus poederden aan een kaptafel.
Opvallend is dat niet al deze bewegende poppen de tand des tijd hebben overleefd. Uiteindelijk bleek het niet zo geweldig om met poppen te spelen als die zoveel dingen al zelf doen.
Lees meer over de geschiedenis van de pop in het artikel: Speelgoedpoppen in de 19de eeuw.

 

Advertentie voor thee drinkende poppen van Jumeau uit 1885.

Emile-Louis Jumeau, zoon van bedrijfsoprichter Pierre-François Jumeau en verantwoordelijk voor de vernieuwingen na 1880, ± 1890

 

 

Nieuwe materialen

In de 19de eeuw was het echter niet alleen mechanica dat veel vernieuwing bracht voor speelgoed, maar ook uitvindingen op ander gebied zoals op dat van materialen. Uitvindingen rondom het steviger maken van rubber tussen 1790 en 1840 hebben het aangezicht van ballen bijvoorbeeld voorgoed veranderd. 

Een nieuwe kinderwereld gaat open

Waren er in de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw al veel soorten speelgoed bijgekomen, na 1870 kwamen de vernieuwingen met net zo'n duizelingwekkende vaart als op veel andere terreinen. Dat gold niet alleen voor duurder speelgoed. Door de massaproductie die in fabrieken mogelijk was, kwam er ook een veel grotere hoeveelheid speelgoed beschikbaar voor armere kinderen.

Dat neemt niet weg dat het sociale verschil dat er op het gebied van speelgoed altijd is geweest tussen kinderen van verschillende rangen en standen niet volledig werd opgeheven, net zo min als het verschil tussen stadse kinderen en die van het platteland. De meeste nieuwe soorten speelgoed kwamen toch terecht in de handen van redelijk tot zeer welgestelde kinderen in de steden.

 

Vittorio Matteo Corcos - Piazza Santa Trinità, Florence, 1886. Een welgestelde moeder en dochter hebben flink wat speelgoed gekocht en worden hier weggezet als een ultiem tijdsbeeld.   

 

Bronnen

Boeken

  • Bartholomew Ch. - 'Mechanisch speelgoed.' Alphen a/d Rijn 1979
  • Renaud W. F. - 'Wereldleed en kindervreugd. Speelgoed voor de Nederlandse markt, 1860-1960.' Arnhem 1999
  • Vries L. de - 'Knotsgekke uitvindingen van de 19de eeuw.' Houten 1988

Internetartikelen

  • Wikipedia Nederland (www.nl.wikpedia.org) - 'Toverlantaarn' / 'Zoötroop' / 'Fenakistiscoop' / 'Praxinoscoop' / Charles-Émile Reynaud' /  'Joseph Plateau' / 'Stereoscoop' / 'Stereoscopie' /
  • Wikipedia Engeland (www.en.wikipedia.org) - 'Frank Hornby'
  • https://en.wikipedia.org/wiki/Simon_von_Stampfer
  • https://en.wikipedia.org/wiki/Zoetrope

 

Afbeeldingen

  • Wikimedia Commons (commons.wikimedia.org)
  • Stereoscopen - Beide uit Popular Science Monthly, volume 21
  • Joaquin Sorolla - Wikimedia Commons / Museo del Prado