Home » Leven » Sport en spel » Gymnastiek in Nederland

De opkomst van sport in Nederland na 1845

In navolging van internationale ontwikkelingen zagen Nederlanders in de loop van de 19de eeuw sport en andere lichaamsbeweging steeds meer als een waardevolle besteding van hun (vrije) tijd. Als iets dat het lichaam gezond hield, maar dat ook goed was voor de vorming van karakter en persoonlijkheid. Dat was lange tijd anders, ook elders in Europa. Rond 1850 begonnen opvattingen hierover echter overal te veranderen, zij het in geen enkel land op dezelfde manier. In Nederland begint de omslag met gymnastiekles op scholen, later waait enthousiasme voor in clubs georganiseerde teamsporten als voetbal en cricket vanuit Engeland over naar Nederland. Daarmee begint datgene dat wij nu vatten onder net begrip 'sport' in Nederland wat later dan elders, maar blijvertje bleek het wel.   


Overzichtsfoto van de Tweede Nationale Sportdagen gehouden in 1909 in Park Zorgvliet in Den Haag. Zowel mannelijke als vrouwelijke turners laten zien wat ze kunnen.

 

Korte voorgeschiedenis van de sport

Lichamelijke inspanning, al dan niet met een wedstrijd- of spelelement, is er vermoedelijk altijd geweest. Tot aan de negentiende eeuw vond dit echter zelden plaats op een gestructureerde of georganiseerde manier. Door de geschiedenis heen waren er wel evenementen die een tamelijk regelmatige organisatie kenden en waar men prestigieuze prijzen kon winnen, zoals bijvoorbeeld de Olympische Spelen in het oude Griekenland of de riddertoernooien in de middeleeuwen. Dit waren echter uitzonderingen op de regel.

Binnen het christelijke geloof zoals dat zich na ongeveer 300 na Christus door Europa verspreidde, heerste veel weerstand tegen lichaamsoefening in het algemeen en wedstrijden in het bijzonder. Geestelijken vonden het lichaam het instrument van de duivel en training van datzelfde lichaam was daarmee verderfelijk. Het idee van meedoen aan een wedstrijdje om de winst, was in vergelijking daarmee nog erger. Deze mening zou vele eeuwen standhouden en slechts heel geleidelijk afzwakken. 

Bij veel mensen sloeg die strengheid echter nooit aan, want door de hele middeleeuwen en renaissance heen hebben mensen sportieve activiteiten ontplooit. Deze was echter haast altijd van vrijblijvender aard dan wij gewend zijn. Wedstrijdjes werden bijvoorbeeld georganiseerd in het kader van de jaarlijkse kermis of jaarmarkt of ter ere van een feestdag. Ook mochten herbergiers en kasteleins nog wel eens iets op touw zetten om bezoekers naar hun zaak te trekken.

Daarnaast mochten ridders en later soldaten hun vaardigheden nog wel eens uittesten door middel van sportieve wedstrijdjes. Dat kwam niet alleen tot uiting in de befaamde riddertoernooien, maar ook in onderlinge wedstrijdjes boogschieten, atletiek en worstelen. Matrozen mochten elkaar ondertussen graag op de proef stellen in zwemwedstijdjes. 

De meeste lichamelijke activiteit werd echter beoefend door mannen uit de elite. Sport kostte ook toen tijd en geld en edelen waren de enigen die beide ruim voor handen hadden. Daarbij vonden veel mensen dat als je dan aan sport deed, je dat wel als amateur moest doen. Geld verdienen door het leveren van sportieve prestaties was pas echt uit den boze. 

Lees hier meer over de geschiedenis van sport en spel.

Het is deze situatie die in de loop van de 19de eeuw langzaam maar zeker op de schop ging.

 

Gennaro Basile - Portret in het 'balhuis', +/-1750. Twee adellijke heren slaan een balletje tennis in de 18de eeuw. 

 

Sportieve spellen in Nederland sinds de middeleeuwen

Sinds de middeleeuwen waren een aantal sportieve spellen populair, die in de middeleeuwen waren ontstaan of afstamden van middeleeuwse sporten.

  • Tennis en jeu de paumeEen sport die teruggaat tot in de middeleeuwen en populair was onder edelen was het zogeheten jeu de paume (spel van de palm). Dit is een soort tennis maar dan gespeeld met de handpalm in plaats van met een racket. Mogelijk dateert het al uit de 12de eeuw. In de 16de eeuw werd het racket bedacht en kreeg het de naam tennis. Het moge duidelijk zijn dat jeu de paume ook aan de basis staat van het kaatsen.
  • Kaatsen. Onder de naam kaatsen vallen balsporten waarbij de spelers de bal met de handpalm of vuist zodanig moeten slaan dat tegenstanders deze niet op een goede manier kunnen terugslaan. Er waren (en zijn) twee versies: veld- of pleinkaatsen en muurkaatsen. Bij deze laatste versie moet de bal via één of meerdere muren in het speelveld worden gehouden. Het bij ons voornamelijk bekende Friese kaatsen is een vorm van veldkaatsen dat in de 16de eeuw werd geïntroduceerd.
  • Kolven. Kolf of Colf was een spel dat werd gespeeld met een zware bal en kolfstokken. Aan de stok zat een slof, een omhulsel van lood waarmee men tegen de bal kon slaan. De slagkant van de slof was vlak, de achterkant rond.

    Er waren twee spelmogelijkheden: de bal moest in een vastgesteld aantal slagen zover mogelijk worden geslagen of men moest in zo weinig mogelijk slagen een bepaald doel zien te raken, bijvoorbeeld een paaltje of een boom. In de zomer speelde men kolf op straat, in de winter op het ijs. Het moge duidelijk zijn dat kolf de voorloper is van golf. 

  • Malie. Bij malie of het maliespel  werd een houten bal op een lange baan met zo weinig mogelijk slagen tussen twee palen geslagen, waarbij halverwege de baan een poort moest worden genomen. Bij voorkeur werd de bal geslagen met een maille, een flexibele stok van taai hout voorzien van een fluwelen handvat en een hamervormig uiteinde. Wie geen maille bezat kon echter ook gewoon zijn kolfstok gebruiken. Het spel lijkt nog het meest een uitvergrote variant van croquet. Dat het spel in Nederland populair was blijkt wel uit het feit dat menige plaats over een maliebaan beschikt.

Omdat er nog geen universele spelregels bestonden, kenden al deze spellen verschillende versies. De manier waarop ze werden gespeeld kon zelfs per regio verschillen.

 

Adriaen van de Venne - Een maliespel,  1620-1626 (tekening). 

 

Sportwedstrijden rond 1800 

Ondanks de weerzin die er in de 18de en 19de eeuw nog bestond tegen sportieve competitie enerzijds en het ontbreken van een centrale organisatie anderzijds nam in de tweede helft van de 18de eeuw het aantal sportwedstrijden met een wat officiëler karakter toe.

Een dergelijk officieel karakter kan men afzien aan het feit dat de winnaars om een evidente titel en/of prijs streden, wat bij vrijblijvende wedstrijden nooit het geval was. Ook is er ruime plek gemaakt voor toekijkend publiek, bij voorkeur met een tribune.

Waarschijnlijk was de Britse renbaan in de 16de eeuw de eerst plek waar dergelijke prijzen werden uitgereikt. Ook met een aantal andere sporten gaan de Britten ver terug zoals regatta's in het roeien en zeilen die uit de 18de eeuw dateren.

 

Nederland

In het kielzog hiervan sloop ook in Nederland de sportwedstrijd om een titel en/of prijs heel geleidelijk aan naar binnen. Dat was onder meer het geval bij de volgende sporten:

  • Paardensport. De Nederlandse paardenfokkerij deed en doet nauwelijks onder voor de Britse en mede daardoor was de harddraverij ook hier al vroeg populair. Zo opende de kortebaan van Santpoort al in 1752 zijn deuren. 
  • Schaatsen. Schaatswedstrijdjes lijken er al heel lang te zijn geweest in Nederland. Het is echter onduidelijk wanneer deze wedstrijden een meer officieel karakter kregen. In ieder geval won ene Cornelis IJnzes van Cubaard rond 1800 bij een kortebaanwedstrijd in Sneek een zilveren tabaksdoos. De vroegst bekende, officiële schaatswedstrijd voor vrouwen is wel bekend (er is zelfs nog een deelnemerslijst overgeleverd). Deze vond op 1 en 2 februari 1805 plaats op de stadsgracht van Leeuwarden. Winnares Trijntje Pieters Westra won voor de ogen van zo'n 10.000 toeschouwers een gouden oorijzer ter waarde van 105 gulden. Binnen de sportgeschiedenis is dit een buitengewoon opmerkelijke gebeurtenis.

 

J. E. Marcus - Luisterrijke Vrouwen Schaatschen Rydparty, iets na 1805. Gravure van de vroegst bekende Nederlandse schaatswedstrijd voor vrouwen te Leeuwarden in 1805. Let ook op hoeveel publiek deze wedstrijd trekt en hoezeer de dames aan elkaar gewaagd zijn.

 

Sport na 1850

In de loop van de 19de eeuw verandert er veel in de wereld van sport en spel. Door heel Europa staan er mensen op die anders aan gaan kijken tegen sport en lichaamsoefening. Dat betrof enerzijds een herwaardering voor gymnastiek, expliciet zonder wedstrijdelement en anderzijds juist wel de opkomst van sport met wedstrijdelement maar dan wel met de nadruk op teamsporten.

In plaats van een leuke vrijetijdsbesteding van elitaire heren of een middagje ravotten bij de kroeg, werd lichamelijke oefening in ieder geval steeds meer gezien als een activiteit die goed is voor zowel lichaam als geest. Mensen konden er uithoudingsvermogen en spierkracht door krijgen, maar ook een sterker karakter, al lag de focus daarbij vooral op opgroeiende jongens. 

Daarnaast hielpen echter tal van maatschappelijke ontwikkelingen om de willekeurige sport voor het het plezier om te vormen tot een bezigheid waarbij sportbonden en clubs zorgden voor een strakke organisatie van competities en toernooien en waarbinnen steeds meer professionalisering optrad.

Lees hier meer over vernieuwingen op het gebied van sport en spel na 1850.

Deze ontwikkelingen vonden door heel Europa plaats en daarmee was het dus een kwestie van tijd voordat ze ook Nederland zouden bereiken. Dat neemt echter niet weg dat de brede acceptatie van sport in Nederland zijn eigen weg heeft gevolgd en zijn eigen sportpromotors heeft gehad, zoals voor ieder land gold.

 

Thomas Eakins - De broers Biglin in een race, 1872. Terwijl veel andere sporten rond 1870 nog in de kinderschoenen stonden, was het roeien al ver ontwikkeld. Ook in Nederland is dit een van de 'oudste' sporten en waren wedstrijdboten zoals afgebeeld op dit schilderij al vroeg gangbaar.

 

Herwaardering voor gymnastiek

In principe zette de weerstand tegen lichamelijke oefening van welk type ook in de 19de eeuw door. Misschien werden geestelijken voorzichtigjes aan wat minder streng, maar daar stond tegenover dat fabrieksdirecteuren en legerofficieren zich er steeds feller tegen keerden. Zij hadden het idee dat sport teveel tijd en energie vroeg van hun werknemers of soldaten. Tijd en energie die ze beter konden besteedden aan hun taken. 

Toch begon de omslag in het denken over lichaamsoefening al vroeg in de 19de eeuw met een herwaardering voor gymnastiek. Dat begon met nieuwe filosofische opvattingen over gymnastiek als een belangrijk instrument bij de opvoeding van met name die van jongens. Gymnastiek dus expliciet in de vorm van lichamelijke opvoeding

Deze opvattingen borduurden voort op de ideeën die romantisch filosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) halverwege de 18de eeuw naar buiten had gebracht. Dat waren ideeën met een sterk natuurfilosofisch karakter. Zelf zou hij niet veel zeggen over lichamelijke oefening, maar anderen zagen het als een logische aanvulling op zijn opvoedkundige ideeën. 

De belangrijkste onder deze filosofen was de Duitse pedagoog Johann Christoph Friedrich GutsMuths (1759-1839), die zich rond 1800 sterk maakte voor lichamelijke opvoeding voor kinderen in het algemeen en voor het geven van zwemles aan kinderen in het bijzonder. In 1793 schreef hij als eerste een handboek voor het geven van gymnastieklessen aan de jeugd (Gymnastik für die Jugend). Daarmee werd hij feitelijk de vader van het gymnastiekonderwijs.  

GutsMuths kreeg al snel navolging in vooral Duitsland en Zweden. In beide landen ontwikkelden zich gymnastiekmethodes, die zich in de loop van de eeuw over de westerse wereld zouden verspreiden. In beide gevallen was dat gericht op het verspreidden van gymnastiek op scholen (voor jongens vooral). Toch werd deze vorm van lichamelijke oefening ook overgenomen door militairen. Als gedisciplineerde vorm van fysieke training zag de legerleiding er bij nader inzien toch de voordelen van in. Alleen tegen wedstrijdsport bleven de officieren fel gekant.   

 

Vaders van de lichamelijke opvoeding: Johann GutsMuths, Friedrich Jahn tegen 1852, Adolf Spiess (afbeelding uit 1922) en Pehr Henrik Ling in 1839.

 

Het Duitse turnen 

In Duitsland was het de controversiële Duitse nationalist Friedrich Ludwig Jahn (1778-1852) die rond 1815 gymnastiek . Hij borduurt voort op de ideeën van GutsMuths maar combineerde deze met nationalistische politieke ideeën. Veel van zijn lichamelijke opvoeding was expliciet bedoeld om (Arische) Duitse jongens extra weerbaar te maken.

Daartoe ontwikkelde hij een systeem van op de gezondheid en de ontwikkeling van een sterk karakter gerichte gymnastiek. Die gaf hij de naam turnen, omdat hij het Griekse woord gymnastiek niet Duits genoeg vond. Zijn programma bestond uit fysieke oefeningen en hij bedacht turntoestellen als de evenwichtsbalk, de ringen, de brug en de rekstok. 

Het belangrijkste onderdeel van zijn programma was echter wandelen. Stevige wandelingen in de vrije natuur waren namelijk niet alleen gezond, maar ook een goede manier om zijn politieke ideeën te verspreiden. Dat kon echter niet iedereen waarderen en Jahn raakte in opspraak.

Dat leidde tot een verbod op turnen in Pruissen, de zogeheten Turnsperre, die van 1820-1842 duurde. Bronnen spreken elkaar tegen over waar de Turnsperre precies van kracht was, maar mogelijk was dat in de gehele 'Duitse Bond', een statenbond waar ook de Oostenrijkse keizer en de Deense en Nederlandse koningen lid van waren. Wat zou betekenen dat het verbod op turnen in Nederland ook van kracht was.

Desondanks ontwikkelde de Duitse onderwijzer en turnleraar Karl Adolf Spiess (1810-1858) een nieuw vorm van turnen voor scholen, het Schulturnen. Daarbij ontwikkelde hij een zeer uitgebreid arsenaal aan oefeningen, die hij een militair karakter meegaf. Uiteindelijk was het aan zijn inspanningen te danken dat de militaristische Pruisische regering in 1842 niet alleen de turnsperre ophief, maar Spiess zelfs opdracht gaf om zijn vorm van turnen op Pruisische scholen en opleidingen te introduceren. Daar en in het leger.

 

Albert Anker - Turnuur in Ins, 1879. De jongens van een Duitse schoolklas krijgen turnles. Meisjes en jongere jongens kijken langs de kant toe. 

 

De Zweedse gymnastiekmethode

In feite ontwikkelde de Zweedse gymnastiek methode zich vrij kort na het Duitse turnen, maar toch duurde het wat langer voordat het zich elders zou verspreiden. Zweedse gymnastiek bestond uit oefeningen in lichaamshouding waarbij alle spieren aan bod kwamen en maakte veel gebruik van toestellen als het wandrek, de springkast en de bank.

Grondlegger was de Zweedse schrijver en schermleraar Pehr Henrik Ling (1776-1839). Net als Jahn had hij een nationalistische inslag en sympathiseerde met het natuurfilosofische gedachtengoed, maar hij was minder radicaal en werd zelfs benoemd tot professor. In 1813 richtte hij het Gymnastiska Centralinstitutet (GCI) op, dat lange tijd internationaal gezaghebbend zou zijn op het gebied van gymnastiek. Ling had veel anatomische en fysiologische kennis en gebruikte die om tot medisch onderbouwd nieuw soort gymnastiek te komen.

De definitieve uitwerking ervan moest hij echter overlaten aan zijn zoon Hjalmar Ling en twee van zijn studenten, want in 1839 kwam hij te overlijden aan tuberculose. Zijn opvolgers kweten zich echter prima van hun taak en maakten de Zweedse gymnastiek wereldwijd populair. Dat deden ze door het geven van cursussen en demonstraties in het buitenland.

In verhouding met het Duitse turnen is de Zweedse gymnastiek beperkt en eenvoudig. Het wil door middel van goede en gedoseerde lichaamsbewegingen de gezonde ontwikkeling van het lichaam bevorderen. De toestellen zijn daarbij vooral als ondersteuning en verzwaring van de oefeningen bedoeld. 

Er bestonden al vroeg connecties tussen Scandinavische wegbereiders van de gymnastiek en de militaire wereld. Het was dan ook hier dat de Zweedse gymnastiek methode aan zijn geleidelijke opmars begon. 

 

Roper's gymnasium, 274 Market Street, Philadelphia, +/-1831. Afbeelding uit een advertentie voor een Amerikaanse gymzaal waar Zweedse gymnastiek wordt beoefend in combinatie met schermen.

 

Gymnastieklessen op Nederlandse scholen

Ergens rond 1945 besloot in Nederland de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (het Nut in de volksmond), een stichting die bezighield met de volksopvoeding van de lagere sociale klassen, ook dat een gezonde geest huist in een gezond lichaam. Binnen dat kader besloot men het idee van 'gymnastie'  als schoolvak te gaan promoten. Opvallend is dat dit slechts enkele jaren na opheffing van de Turnsperre gebeurde. 

In ieder geval schreef het Nut in 1846 een brief aan koning Willem III met het verzoek een wettelijke regeling op te stellen die gymnastiek als schoolvak mogelijk maakte. De koning, die nog vol zat van weerzin tegen elke vorm van lichamelijke oefening, wees dat af. 

In 1849 besloot het Nut om de gymnastie dan tenminste te introduceren op de door de stichting zelf gefinancierde (en dus particuliere) scholen. Ook richtte men op zes verschillende plaatsen zogeheten Normaalscholen voor de Gymnastiek op, waar onderwijzers konden leren hoe ze gymles moesten geven. 

De gekozen vorm van schoolgymnastiek was geënt op het programma van Jahn. Dat was immers pedagogisch bedoeld en diende bij te dragen aan de geestelijke weerbaarheid en fysieke gezondheid van de kinderen. Het ontbreken van wedstrijdelementen in het programma van Jahn was ook van belang, want van sport en spel moesten de leden van het Nut evengoed niks hebben. Toch was de keuze voor de Jahns gymnastiek opmerkelijk, want de opvoeding van arbeiderskinderen was wel het laatste dat de de Turnvader zelf voor ogen stond.

Waarschijnlijk bracht de naam van Jahn ook teveel tegenstand teweeg, want geleidelijk aan schoof men op naar het programma van Spiess, waarna de promotie van schoolgymnastiek inderdaad beter ging lopen. 

Uiteindelijk werd gymnastiek in 1857 als vak mogelijk (maar dus nog niet verplicht) op openbare lagere scholen. Hierdoor groeide na 1857 het aantal gymnastieklessen op openbare scholen snel, al bleven veel ook veel van hen nog lange tijd stug weigeren.

In 1862 was niettemin de tijd rijp om de Vereeniging van onderwijzers in de gymnastiek in Nederland (vaak 'de Nederlandsche' of 'de Vereeniging' genoemd) op te richten. Deze had al snel nieuw succes te vieren toen in 1863 gymnastiek bij een herziening van de Wet op het Middelbaar Onderwijs door Thorbecke zelf (toen minister van onderwijs) als verplicht vak werd aangemerkt. 

Desondanks kreeg de Vereeniging het hierna niet gemakkelijk met het verder promoten van gymnastiekonderwijs in Nederland. Er bleef veel tegenstand bestaan tegen lichamelijke opvoeding en intern volgde er een tumultueuze tijd vol voorzitters en naamsveranderingen. In 1889 werd gymnastiek bij Koninklijk Besluit niettemin ook een verplicht vak in het lager onderwijs, al zou dat pas in 1920 een wettelijke basis krijgen.

Ondertussen was men wel begonnen een nieuwe omslag te maken, namelijk van de Duitse naar de Zweedse gymnastiek methode.

 

Een op Duitse leest geschoeide Bundesturnhalle in Milwaukee rond 1900.

 

Zweedse gymnastiek in Nederland

Ook in Nederland werd de Zweedse methode geïntroduceerd door militairen die cursussen hadden gevolgd bij het CGI. De Duitse methodes en het turnen hadden echter zozeer wortel geschoten in het land, dat het Zweedse stelsel maar heel geleidelijk zijn weg vond naar scholen. Uiteindelijk zou dat pas in de nieuwe eeuw serieus vorm krijgen.

Rond 1910 en 1911 vond er eerst nog een stelselstrijd plaats: een felle tweestrijd tussen de voorstanders van wat men inmiddels zag als het 'Duits-Nederlandse stelsel' enerzijds en die van het 'Zweedse stelsel' anderzijds. De Duitse gymnastiek werd daarbij aangevallen omdat het niet de anatomisch-fysiologische onderbouwing had die het Zweedse stelsel wel had. Maar het Zweedse stelsel werd door velen gezien als saai, aangezien het voor iedere leeftijdsgroep grofweg dezelfde oefeningen gebruikte. Daarbij werd ook gewezen op het feit dat er in Zweden veel minder turn- of gymnastiekverenigingen waren dan in Nederland, wat als teken aan de wand kon worden gezien. 

Omdat veel medici bleven wijzen op de anatomisch-fysiologische voordelen van de Zweedse methode, zou hij toch steeds meer invloed krijgen op het Nederlandse gymnastiekonderwijs. Van een volledige overstap is het echter nooit gekomen. Uiteindelijk ging de Nederlandse gymles bestaan uit een mix van beide methodes.   

 

Linggymnastiek (zoals ze het in Zweden zelf noemen) voor jongens op het GCI in Stockholm ergens tussen 1880 en 1910.  

 

Gymnastiekverenigingen in Nederland

De gymlessen op scholen sloegen aan bij een gedeelte van de jeugd en zorgden ervoor dat turnen een geliefde vrijetijdsbesteding werd. Aldus kwamen er turn- en gymnastiekverenigingen.

Dat begon in 1863 met de KTV Olympia in Amsterdam. Verantwoordelijk daarvoor waren een aantal Amsterdamse onderwijzers die de schoolgym niet afdoende vonden.  Hierna volgden al snel meer verenigingen. Rond de eeuwwisseling telde de turnbond zo'n 3.000 leden.

Het woord gymnastiek werd aanvankelijk nogal breed opgevat. Zo kon je op de meeste clubs ook schermen (altijd al nauw verbonden met het turnen), maar viel ook de atletiek een tijdlang onder deze noemer. Al moest een vereniging daar wel faciliteiten voor hebben.

 

Britse sporten die als eersten overwaaiden

Hoewel de sport op Engelse scholen van zeer groot belang is geweest voor het ontstaan en de verspreiding van moderne sport in Europa en de VS, waren dit niet de enige takken van sport die in het Verenigd Koninkrijk waren ontstaan en naar Nederland zijn overgewaaid. Sporten die ons land via andere wegen bereikten waren:

  • Roeien. De eerste bekende officiële roeiwedstrijd werd al in 1716 georganiseerd ergens op een Engels water. The Boat Race, de befaamde jaarlijkse roeiwedstijd tussen universiteitsteams van Oxford en Cambridge vindt plaats sinds 1828. Als populaire studentensport heeft het roeien zich vermoedelijk via academische contacten naar Nederland verspreid.
  • Zeilen. Nederlanders hebben uiteraard gezeild zolang er zeilboten bestaan, maar zeilen als moderne wedstrijdsport lag niet meteen voor de hand. In het Verenigd Koninkrijk en de VS werden al vroeger zeilevenementen georganiseerd dan in ons land. De oudste, jaarlijks terugkerende zeilregatta is de Britse Cumberland Cup die voor het eerst werd gehouden in 1775.
  • Wielrennen en fietsen. Feitelijk was het enige dat men werkelijk deed met de fiets sporten. De hobby horse of dandy horse zoals de Britten de loopfiets vaak noemden, was een sportartikel en nog geen serieus vervoersmiddel. Dat begon met fietsles op speciale riding schools waarvan de eerste in 1819 in Londen in het leven werden geroepen. 

 

Milton Bradley & Co.  - Affiche voor een evenement van de Springfield Bicycle Club in de Amerikaanse staat Massachusetts uit 1883. Er zullen demonstraties gegeven worden en er vindt een fietstoernooi plaats.  

 

De oudste sportclubs van Nederland

Helaas is het niet bekend welke sportclub er nu werkelijk de oudste van Nederland is. Tenslotte ontbrak het lange tijd aan een duidelijke administratie op dit gebied, niet in de laatste plaats omdat veel sporten nog geen bond hadden.

De oudst bekende verenigingen behoren, zoals uit het onderstaande lijstje blijkt, tot een samenraapsel van traditionele al lange tijd in Nederland bekende sporten, uit Engeland overgewaaide sporten en op het Duitse stelsel gebaseerde turnvereniging. Van één constructieve ontwikkeling is hier dus geen sprake. 

  1. Op 16 december 1847 werd in Amsterdam de Koninklijke Nederlandse Zeil- en Roeivereniging opgericht. Dit is sowieso de oudste watersportvereniging in Nederland, maar lijkt ook de oudste sportverenging überhaupt te zijn.
  2. In 1849 werd in Deventer de ijsclub Daventria opgericht en is daarmee waarschijnlijk de eerste schaatsvereniging in Nederland. Op 14 januari 1850 organiseerde men al een 'hardrijderij' voor mannen, die werd aangekondigd in lokale kranten. Niet zo verwonderlijk voor een sport waarin al sinds de 18de eeuw wedstrijden werden georganiseerd. Dit was de eerste van vele ijsverenigingen die vanaf 1850 werden opgericht. De bedoeling daarvan was dat deze clubs zouden zorgen voor ijsbanen waar in de winter wedstrijden op konden worden gereden.
  3. De oudste schaakclub van Nederland is Discendo Discimius uit Den Haag die in december 1852 werd geregistreerd. Opvallend is dat deze club onafgebroken onder dezelfde naam is blijven bestaan. 
  4. Erg oud is ook de Anglo-Dutch Tennis Club uit Rotterdam. Deze werd in 1855 opgericht. Uit de naam blijkt al dat de Britse leden hier veruit in de meerderheid waren boven de Nederlandse. 
  5. De oudste turnvereniging is zoals eerder vermeld de Koninklijke Turnvereniging (KTV) Olympia uit Amsterdam die is opgericht in 1863. 

 

Zeilregatta van de New York Yacht Club in 1854 (prent, cropped). 

 

Immer Weiter: fietsclubs in Nederland

Fietssport heeft altijd te maken gehad met verkopers die belang hadden bij de promotie van de fiets als artikel. Zo werd de eerste rijwielschool van Nederland in 1868 geopend door fietsimporteur H.H. Timmer in Amsterdam.

Ook de eerste fietsclub dankte haar bestaan aan de rijwielindustrie. De Nederlandse fietsindustrie vindt namelijk zijn oorsprong in Deventer, waar de smid Henricus Burger in 1868, naar verluid op advies van Timmer, zijn eerste vélocipède bouwde. Dat leidde een jaar later al tot de oprichting van de Eerste Nederlandsche Fabriek van Vélocipèden. En dat leidde in oktober 1871 weer tot de oprichting van dDeventer Vélocipède Club Immer Weiter, die de fiets van Burgers moest helpen promoten. De leden kwamen grotendeels van de plaatselijke HBS.

Of Immer Weiter, zoals het in de volksmond bekend werd, daarmee de eerste fietsclub van Nederland was is niet waarschijnlijk. Er is bijvoorbeeld ook sprake van een Rotterdamsche Vélocipède-club, die conform advertenties in lokale kranten al in 1869 moet hebben bestaan. Van deze club is echter niets meer bekend, terwijl Immer Weiter een niet te missen imprint heeft achtergelaten op de Nederlandse fietswereld. Na het succes van deze vereniging zouden al snel meer fietsclubs volgen.

Immer Weiter organiseerde onderlinge wedstrijden, maar ging soms ook de strijd aan met buitenstaanders. Naast races waarin op parcoursen van honderd tot tweehonderd meter werd gesprint, organiseerden ze ook wedstrijden en demonstraties waarbij behendigheid op de monsterlijke fietsmachine die vélocipède toch was, belangrijker was dan snelheid maken. 

 

 De Deventer Velocipede-club 'Immer Weiter' van 1871, 1871.

 

Teamsport op Engelse scholen

Halverwege de 19de eeuw werd het houden van sportwedstrijden snel populair op Engelse kostscholen, de befaamde public schools zoals Eton en Rugby, waar de jongens uit de elite hun middelbare schooltijd volbrachten. Dat betrof in eerste instantie rugby en cricket, maar later kwamen daar voetbal en tennis bij. Dit had de volgende redenen:

  • De public schools kregen steeds meer leerlingen uit de gegoede burgerij, waardoor het karakter van de scholen verburgerlijkte. De aloude tradities die op deze scholen gangbaar waren, kwamen nu onder druk te staan.
  • Sport bleek een goed middel om zowel discipline als sfeer te kunnen handhaven op een kostschool.
  • Het Britse Rijk was groter dan ooit, waardoor veel Britten uitgezonden werden naar andere gebiedsdelen. Eigenschappen als uithoudingsvermogen, moed en ferm karakter zou de toekomstige ambtenaar in den vreemde goed van pas komen. deze eigenschappen konden op het grasveld gekweekt worden, zo was gebleken.
  • De public schools werden omringd door grote lappen grasveld en hadden er dus de juiste locatie voor.

Al met al werd er in Engeland hoog opgegeven over de manier waarop sport karakter en persoonlijkheid kon helpen versterken. Daarbij vond men het wedstrijdelement juist van groot belang, zij het wel in teamverband (bij tenniscompetities waren dubbelspelen ook van groot belang). Dat de jongens leerden om samen met anderen een tegenstander te verslaan.

De populariteit van de nieuwe sporten bleef echter niet bepaald beperkt tot de docenten en andere begeleiders op deze scholen. Bij de leerlingen sloegen ze, begrijpelijkerwijs, in als een bom.  

 

Voetbal op de school van Rugby, rond 1850, maker onbekend (cropped). Het ziet er nog niet helemaal uit als ons voetbal.

 

Engelse invloed in Nederland

Het zou een aantal decennia duren voordat het Engelse enthousiasme overwaaide naar Nederland, maar toen het eenmaal zover was, kwam het ook goed aan. Dat gebeurde grotendeels via de zonen van Engelse immigranten of via Nederlandse jongens die in Engeland waren opgegroeid. Deze jongens waren, niet geheel verrassend, afkomstig uit de hogere sociale klassen en hadden ervaring met sport opgedaan op een van de kostscholen.

In de ogen van was sport een prestigieuze zaak waarmee ze zich konden onderscheiden van jongens uit de lagere klassen. Dat onderscheid draaide niet daarmee niet om het bedrijven van sport op zich, maar om de manier waarop je dat deed. Dat betrof met name het idee van de sportiviteit. Sportiviteit was een belangrijke eigenschap die sportbeoefenaars dienden te ontwikkelen en die werd omschreven als 'overwinningsdrang en een competitieve instelling, met waardigheid bij verlies en hoffelijkheid bij winst'.

De ontwikkeling van moderne sport in Nederland is bijna in zijn geheel toe te schrijven aan de Engelse invloed. Dat blijkt ook uit de vele Engelstalige sporttermen die wie nu nog steeds gebruiken. Dat begint al met het woord 'sport' zelf. De benamingen van veel overgenomen sporten als rugby, cricket en tennis zijn eveneens Engels net als termen binnen deze sporten (game, set, matchpoint, penalty, volley, corner, goal).  Maar ook aanduidingen als fair play en unfair zijn er al vanaf het begin bij.

 

Veldsportverenigingen naar Brits model

In tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk werd in Nederland de sport volgens Engels model echter niet geadopteerd door middelbare scholen. Integendeel, de meeste scholen moesten er niets van hebben en vonden het nog steeds een onfatsoenlijk tijdverdrijf. Ook de ouders van veel jongens zagen het niet zitten dat hun kind aan zo'n rauwe en verderfelijke activiteit mee ging doen.

Daarop raakten veel jongens die wilden gaan voetballen of rugbyen in conflict met hun ouders en/of leraren. Ze gaven de strijd echter niet zomaar op en richtten hun eigen club op, eventueel met de hulp van een enkele Engels onderlegde ouder die er wel iets in zag. Het gevolg was dat haast alle vroege veldsportclubs in Nederland zijn opgericht door tieners van zo'n 14 tot 16 jaar oud en dat ze vaak meer Britse dan Nederlandse leden hadden.

Logischerwijs waren de gekozen sporten dezelfde als die welke op de Engelse kostscholen populair waren: cricket, voetbal, rugby en tennis.

 

Arthur Thiele - Voetbalwedstrijd, rond 1905 (ansichtkaart). Inmiddels zijn er twee duidelijk te herkennen teams, is er een veld, zijn er lijnen en is er een doel, zij het nog zonder net. 

 

De oudste veldsportclubs Nederland

Hoewel Nederland in 1875 dus al redelijk wat sportverenigingen kende, zijn het toch de uit Engeland overgewaaide veldsporten geweest die het pleit voor de sport uiteindelijk hebben beslecht en de moderne georganiseerde sport vorm hebben gegeven. Binnen die ontwikkelingen spelen de oudste veldsportvereniging een cruciale rol en dienen dus ook genoemd te worden. Dat waren:

  1. De Koninklijke UD Deventer (voluit Koninklijke Deventer Cricket en Football Club Utile Dulci) vdie op 13 oktober 1875 het levenslicht zag. Aanvankelijk stond wel vooral cricket op het programma, om later pas uit te breiden naar voetbal en andere veldsporten.
  2. De Koninklijke H.C. & V.V. Den Haag die officieel sinds 1 september 1878 bestaat.
  3. De Koninklijke HFC Haarlem van 15 september 1879. Dit was de eerste club die zich speciaal als voetbalclub heeft opgericht. en telt daarom als de oudste voetbalclub van Nederland. Dit was ook de club die was opgericht door de beroemde Pim Mulier. Hij had op een college in Ramsgate gezeten en was 14 jaar oud toen hij in 1879 het initiatief nam tot de oprichting van de HFC Haarlem. Nog lang zou hij een belangrijke wegbereider voor de sport in Nederland blijven.

  

Het stadion van de HFC Haarlem in 1907. (Kleur foto aangepast)

 

Sportbonden

Hoeveel clubs er ook zijn, zonder een sportbond om competities en toernooien te organiseren, regels te uniformeren en als centraal contactorgaan te fungeren komt georganiseerde sportbeoefening niet volwaardig van de grond. Uiteindelijk aren het echter toch weer Engelse sportbonden die als voorbeeld dienden voor de Nederlandse.

De oudste sportbonden van Nederland zijn:

  • De eerder genoemde Vereeniging van onderwijzers in de gymnastiek in Nederland uit 1863 was in feite de eerste bond en groeide ook uit tot het latere, niet meer speciaal op onderwijzers gerichte Nederlandsch Gymnastiek Verbond
  • Een van de oudste sportbonden van Nederland is verrassend genoeg de Koninklijke Nederlandse Schaakbond (KNSB) die op 23 mei 1873 als Nederlandschen Schaakbond is opgericht.
  • Verschillende ijsclubs kwamen in 1882 tot de oprichting van de Koninklijke Nederlandsche Schaatsenrijders Bond (KNSB).
  • In 1883 werd de Nederlandschen Studentenroeibond (N.S.R.B.) opgericht voor het organiseren van de Varsity; een roeiwedstrijd tussen verschillende studentenroeiverenigingen.
  • Ook in 1883 kwamen leden van de Haagse en de Haarlemse Vélocipèdeclubs tot de oprichting van de Nederlandsche Vélocipèdisten Bond, die wij beter zouden gaan kennen als ANWB.

 

 

Definitieve omslag van de waardering voor sport in Nederland

Lange tijd bleef er in ons land dus veel weerstand bestaan tegen de Britse sport, ondanks het feit dat het een liefhebberij was voor de burgerlijke elite. De opvoedkundige kwaliteiten die de Engelsen er al lang in zagen, werden hier niet zomaar erkend. Met zoveel activiteit in een groeiend aantal sporten en een gestage uitbreiding van het aantal scholen dat gymles gaf, kon een denkomslag echter niet uitblijven.

Kort na de eeuwwisseling was het zover. Steeds meer pedagogen en psychologen erkenden de opvoedkundige waarde van sport, waarna de aversie snel afnam. Ook het gymnastiekonderwijs ging overstag en nam veldsporten als voetbal en rugby op in het programma. Als gevolg daarvan vond in 1905 het eerste voetbaltoernooi voor scholieren plaats.

Ook vanuit het leger werd een toenadering tussen gymnastiek en wedstijdsport op touw gezet. Dat had veel te maken met het feit dat in 1901 de dienstplicht werd ingevoerd. Dat maakte de redenen waarom Engelsen de teamsport al een halve eeuw eerder hadden omarmd ook voor de Nederlandse legerleiding opeens dringend.

 

Verdere verspreiding

Na de mentaliteitsomslag in het begin van de nieuwe eeuw, bleef sport zich toch grotendeels buiten de school om ontwikkelen, al stond het daarmee niet meer op gespannen voet.

Integendeel, de normen en waarden die golden voor de sport bleken juist sterk overeen te komen met die van de burgerlijke jeugd die meer en meer de middelbare school bezocht. Dat betrof het streven naar prestaties, het tonen van vlijt, volharding en soberheid en het hanteren van goede omgangsvormen. En ook hier telde natuurlijk het ontwikkelen van sportiviteit.

Iedereen die bekend is met de hooglopende emoties die een sportwedstrijd teweeg kan brengen, zal echter begrijpen dat het ideaal van de sportiviteit niet altijd werd gehaald. In 1890 werd er bijvoorbeeld een groot gebrek aan respect voor scheidsrechters. Die werden te pas en te onpas in ingezonden stukken in plaatselijke kranten aangevallen op hun beslissingen.

In het eerste decennium van de 20ste eeuw was er evengoed sprake van een verdubbeling van het aantal sportbeoefenaren in Nederland, van zo'n 30.000 officieel geregistreerde beoefenaren tot zo'n 60.000.

De onderstaande factoren zorgde ervoor dat deze ontwikkeling nog verder voorruit werd gestuwd:

  • Beter vervoer. De grote uitbreiding van het openbaar vervoer in de tweede helft van de 19de eeuw maakte het afleggen van veel grotere afstanden mogelijk. Daardoor konden er ook daadwerkelijk interessante competities worden georganiseerd, zowel regionaal als nationaal. Op een persoonlijk niveau zal ook de fiets het meer jongens mogelijk hebben gemaakt om lid te worden van een club.
  • Uitbreiding van de gegoede burgerij en middenklasse. Dat er steeds meer jongens uit de gegoede burgerij en de middenstand naar school en naar sportclubs gingen, kwam ook omdat er steeds meer burgers en middenstanders waren. De enorme industriële groei uit het laatste kwart van de 19de eeuw zorgde voor een sterke toename van verkoop en handel, waardoor steeds meer zonen uit arbeidersgezinnen kans zagen om op te klimmen.
  • Meer toestroom uit lager sociale klassen. Sportverenigingen werden in toenemende mate toegankelijk voor jongens uit lagere sociale klassen. In 1897 werd voetbalvereniging EDO uit Haarlem de eerste 'volksclub' in Nederland. Tot aan de Eerste Wereldoorlog blijft deze verbreding wel beperkt tot voetbal en wielrennen. Andere sportbonden weten langer vast te houden aan exclusiviteit. Dat veranderde na de oorlog, omdat veel jongens door de dienstplicht in het leger kennis hadden gemaakt met de verschillende sporten.
  • Meer vrije tijd. Met de nieuwe eeuw begint in Nederland ook de 8-urige werkdag, terwijl de vrije zaterdagmiddag toen al een aantal jaren bestond.

 

 

Bronnen

Afbeeldingen

  • Foto Immer Weiter: Wikimedia / G.J.M. Hogenkamp - 'Een halve eeuw wielersport', 1916.