Uitvinding van kroonkurk en flesopener

De luchtdichte flessendop van William Painter

Tegenwoordig is de kroonkurk een vanzelfsprekend product. Eens simpel dopje voor op een fles. Toch lag dat een dikke eeuw geleden nog anders, want toen was er geen luchtdichte sluiting voor flessen beschikbaar. Het gevolg was dat koolzuur snel uit de drank verdween waardoor deze maar kort houdbaar was, ook als de fles niet open was geweest. Dat heeft heel wat uitvinders geïnspireerd om te zoeken naar betere afdichtingen. Uiteindelijk zou er maar één met de juiste oplossing komen. Zijn naam was William Painter en hij had een opmerkelijke levensgeschiedenis.


 

Floris Verster - Stilleven met flessen, 1892

 

Alfred Bernardin en de spontaan ploppende kurk

De kurk was lange tijd de meest gangbare sluiting voor flessen. Dat werkte niet altijd goed. Zo hadden de kurken van champagneflessen de neiging uit zichzelf los te springen door de oplopende druk in de fles. 

Daar was de Frans/Amerikaanse wijnimporteur Alfred Louis Bernardin niet blij mee. Daarom kwam hij in 1880 als eerste met een ontwerp dat als een voorloper van de kroonkurk kan worden beschouwd. Hij bedacht een metalen draadwerkje dat om de kurk heen kwam en bijeen werd gehouden door een metalen strip rond de flessenhals.

De uitvinding van Bernardin werd goed ontvangen. In 1881 opende hij zijn eigen bedrijf voor de productie van deze kurken.

 

Reclame voor de doppen van Bernardin. Hoewel hij zelf in de wijn zat, prijst hij zijn doppen hier vooral aan voor bier en koolzuurhoudende dranken.

 

Voor soda pop en bier

In de jaren ’80 van de 19de eeuw werd in flesjes verkochte frisdrank, de zogeheten soda pop, populair in de Verenigde Staten. Hierdoor werd het voor fabrikanten een dringende aangelegenheid een afsluiting te vinden die het koolzuur, de prik dus, in de fles hield. Bovendien was ook bij soda pop de uit zichzelf losspringende kurk een probleem.

Priklimonade was echter niet de enige drank in nood. Ook bier verloor uiteraard snel aan smaak bij een slechte afdichting.

 

Een moeizame zoektocht

Vele uitvinders namen de uitdaging aan en probeerden een perfecte afsluiting voor de flesjes te vinden. Niet in de laatste plaats omdat het wel duidelijk was dat de uitvinder van zo'n superdop goed geld zou verdienen. Wereldwijd werden er honderden mogelijkheden geproduceerd, waaronder veel exemplaren met kurk. Alleen al in de Verenigde Staten waren er tegen 1890 al zo’n 150 patenten afgegeven.  

Helaas voor alle octrooigerechtigden was hun sluiting imperfect. Doorgaans hadden ze één of meer van de volgende problemen:

  • Het systeem was te ingewikkeld.
  • De dop weerstonden de druk van het koolzuur niet.
  • De dop lekte.
  • Metalen doppen deden de drank vaak naar metaal smaken.

 

 

Algerijns affiche voor het limonademerk Selecto uit 1889. Het drankje zit in een beugelfles, een manier van afsluiten die we wel degelijk nog steeds kennen, maar die toch te omslachtig was om op al te grote schaal te worden toegepast. 

 

William Painter

Lange tijd leek William Painter (1832-1906) alles behalve de aangewezen persoon om een probleem als dit op te lossen. Hij was een Amerikaan van Ierse afkomst die er maar wat op los leefde en aan lager wal was geraakt. Op een dag kwam hij echter de herboren christen Alice tegen die hem uit de goot trok. Ze leerde hem doelgericht en commercieel te denken en in 1880 trouwde het stel. Painter was toen 48 jaar.

Na zijn huwelijk veranderde de Ier in een bezeten uitvinder. Alsof hij zijn verloren tijd wilde inhalen, bedacht hij het ene na het andere product. Tien jaar later bezat hij al 85 patenten. Veel van deze uitvindingen bleken commercieel gezien echter niet zo’n succes, al zaten er leuke dingen bij.

Zo bedacht hij een 'koppensneller' voor gekookte eieren en een condoomspoeler, wat toch een onverwacht product is voor een herboren christen. Werkelijk speciaal was echter een treinzitje waardoor de passagier bij een botsing in de tegengestelde richting werd gezwaaid, vermits hij/zij daarvoor al in de juiste richting zat.

Gelukkig bedacht hij ook een aantal goedlopende producten. Hij kwam onder meer met een zachte rubberen klep voor pompinstallaties die werden gebruikt bij het leegpompen van beerputten en latrines.  Een zeer nuttige uitvinding in relatie tot de vele giftige dampen die bij het leegpompen vrijkwamen.

 

 

H.L. Perkins - Uitvinder William Painter, 1896

 

Rubberen afsluiter voor flessenhalzen

Aldus raakte Painter op het spoor van producten die bepaalde gassen of dampen tegen wisten te houden en begon het probleem rond frisdrank hem te boeien. Aldus ontwierp hij in 1885 een eerste flessenafsluiter, die aanhaakte op zijn ervaring met rubber. Het betrof een rubberen schijfje dat ter afsluiting in de flessenhals moest worden gedrukt.

Dit product werkte redelijk en sloeg aan. Samen met een vennoot wist Painter er zelfs een fabriek voor te openen in Groot-Brittannië.

 

Uitvinding van de kroonkurk

De rubberen hals was echter ook geen ideale luchtdichte afsluiter en dat feit zat Painter erg dwars. Jarenlang bleef hij puzzelen op een manier om flessen wél  luchtdicht af te sluiten. Dat leverde tal van ontwerpen op, maar nooit het gouden idee. Veel van zijn ontwerpen waren overigens varianten op de kurk van Bernardin, waarbij de afsluiting dus op een volledige kurk zat.

Misschien had Painter te hard gewerkt, want uiteindelijk was er een vakantie voor nodig om de doorbraak te bewerkstelligen. Toen hij in de zomer van 1891 samen met zijn familie de stad uit was, vond hij een oplossing voor de twee belangrijkste problemen met doppen. 

  • De metaalsmaak. Om dit te voorkomen maakte Painter een kussentje van kurk in de dop.  Daarover bracht hij nog een laagje papier aan om ieder contact met de dop te vermijden.
  • Een stevige afsluiting. Painter ontdekte dat een gekartelde dop met zogeheten inknijpingen een veel betere afsluiting geeft dan een rechte dop. Hij gaf de dop 24 van zulke inknijpingen. Dat zou in latere tijden worden teruggebracht tot 21 omdat dat de meest ideale afsluiting blijkt te geven. 

In 1892 kreeg William Painter het patent. Hij noemde zijn uitvinding kroonkurk omdat de dop door de gekartelde rand op een kroon leek. Hij was toen 60 jaar.

 

Boven: Mateusz Wisniewski - verschillende typen kroonkurken, met kurk en inknijpingen.

Links: Illustraties bij het patent op de kroonkurk uit 1892.

 

De kroonkurk aan de man brengen

Zoals gebruikelijk was de uitvinder hiermee nog niet binnen, al was de fabricage in het geval van de kroonkurk geen enkel probleem. Het was een product dat zonder meer gemakkelijk en goedkoop kon worden vervaardigd.

 Toch waren er twee problemen om te overwinnen:

  • Men kende bepaald geen uniforme afspraken voor de productie van flessen,  waardoor deze, en daarmee ook flessenhalzen, in alle soorten en maten voorkwamen. Daarmee meenden fabrikanten dat er bij iedere flessenhals een eigen dop hoorde en waren ze niet geneigd de kroonkurk zomaar over te nemen en hun productieproces erop aan te passen.
  • De kroonkurk sloot het flesje zo goed af dat het maar moeilijk weer te openen was.

 

Uitvinding van de flessenopener

Dat laatste probleem moest als eerste worden opgelost, want anders zouden de mensen thuis de kroonkurk niet bepaald omarmen. In 1894 had Painter de oplossing gevonden in de vorm van een flesopener. Ook hierop kreeg hij een patent.

Typisch genoeg had de al eerder genoemde Bernardin kort daarvoor een patent gekregen op een vergelijkbare uitvinding, behalve dat bij hem de flessenopener aan de tafel vast zat. Toch hebben de merkwaardige overeenkomsten tussen de uitvindingen Painter en Bernardin nog wel vragen opgeroepen over wie er als ware uitvinder van de kroonkurk en flesopener moest worden aangewezen. Uiteindelijk waren de producten van Painter echter duidelijk gebruiksvriendelijker.

 

 

Illustraties bij het patent op de flesopener uit 1894.

 

De machine

Om  fabrikanten te overtuigen van het gebruiksgemak van de kroonkurk was er een machine nodig. Deze moest niet zorgen voor gebruiksgemak voor de consument, maar voor gebruiksgemak voor de fabrikant, die dan zelf niet voor kostbare aanpassingen van zijn productieproces hoefde te zorgen.

In 1898 ontwierp Painter een machine met voetbediening die 24 flessen per minuut van een kroonkurk kon voorzien. In 1902 had hij dit apparaat al zozeer verbeterd dat het 60 tot 100 flessen per minuut aankon. Iets dat in de tijd zelf (de lopende band lag nog een aantal jaren in de toekomst) een wonderlijk schouwspel moet zijn geweest. Het plan slaagde dan ook en de verkoop van zowel de machine als de bijbehorende kroonkurken nam een vlucht.

 

De stunt

Toch bleven er nog veel bierbrouwers en bottelaars twijfelen, omdat zij ook het productieproces van hun flessen behoorlijk moesten aanpassen als ze op de kroonkurk wilden overstappen. 

Om hen ook te overtuigen bedacht Painter een stunt. Hij liet een vracht bierkratten naar Zuid-Amerika verschepen en daarna weer terug. Daarna konden de heren brouwers zich er zelf van verzekeren dat hun product gedurende deze reis niets aan kwaliteit had ingeboet. De mannen stonden paf.

Hierna werd de kroonkurk de standaardsluiting in de bottelindustrie. Painter was op dat moment 70 jaar. 

 

Advertentie uit 1906 voor een flesje frisdrank mét kroonkurk.

 

Succes

Vier jaar later, in 1906, kwam William Painter te overlijden. Hij bezat toen bedrijven over de hele wereld die kroonkurken sloegen. Painters Crown Cork Company is nog steeds marktleider. Tegenwoordig slaat het bedrijf zo’n vijftig miljard kroonkurken per jaar.

 

 

Bronnen

  • Grauls M. - 'De uitvinders van het dagelijks leven.' Leuven 2000
  • Wikipedia (nl.wikipedia.org) - 'Kroonkurk'

Afbeeldingen