Geschiedenis van de haard als lichtbron

Warmte én licht door een knappend vuurtje

Tot ruim in de 20ste eeuw brandde het vuur in de haard niet alleen om warmte af te geven en op te koken, maar ook om licht te produceren. Sinds de 19de eeuw speelde dat op het platteland meer dan in de steden, waar de ene na de andere nieuwe lamp werd geïntroduceerd. Toch was de haard ook in kamers en keukens van veel stadse woningen nog van groot belang, al dan niet voorzien van een luxe schoorsteenmantel. Brandstoffen waren duur en iedereen, zelfs de allerrijksten, waren er zuinig mee. Binnen dat kader was het op het platteland bittere noodzaak het licht van de haard bij tal van karweitjes te gebruiken en in de steden aantrekkelijk. Maar dan moest de haard dus wel brandden. Daarom nam hij vooral in de koudere maanden een centrale plaats in het huishouden in als bron van warmte én licht. 

Pietro Saltini - Grootmoeders verhaal, 1875. Bron: Wikimedia Commons/ Revoltella Museum (Trieste)

In een eenvoudig Italiaans huishouden heeft de oma goed begrepen hoe je het leven rond een haard leuk kunt houden. 

Inhoudsopgave

  • Vuur als oudste lichtbron
  • Vuurplaatsen binnenshuis
  • De eerste schoorstenen
  • De nog lange tijd matige schoorsteen
  • Verbeteringen aan haard en schoorsteen
  • Verlichting door de haard op het platteland
    • Niet genoeg licht
    • Haarden in kastelen en landhuizen
  • Verlichting uit haarden in de stad
  • Brandstoffen voor de haard rond 1900
    • Hout en sprokkelwaar
    • Steenkool
    • Turf
    • Kienhout
  • Brandpreventie
  • Van onmisbaar onding naar sfeerbrenger naar gezondheidsrisico
  • Bronnen

Vuur als oudste lichtbron

Vuur was de allereerste vorm van licht die door de mens zelf werd gemaakt. Het werd ergens tussen 200.000 en 60.000 jaar v. Chr. ontdekt. De zeer vroege prehistorische mens maakte een open vuur op een vuurplaats. Deze lag op een vaste plek buiten of indien mogelijk in een grot.

Aanvankelijk maakte men alleen overdag vuur om zich te warmen, eten te koken en/of wilde dieren te verjagen. Als het donker werd ging men slapen. Pas later (het is helaas erg onduidelijk wanneer precies) besefte mensen dat als ze het vuur ook na de schemering lieten branden, ze hun dag konden verlengen. Daardoor werd de vuurplaats de eerste vorm van kunstlicht.

Weer later bedachten mensen manieren om die handige bron van licht met zich mee te dragen, want dat zou in tal van situaties goed uitkomen. Zo kwamen er vuurkorven, toortsen en fakkels.

Het gebruik van dergelijke vuurdragers zou met het verschijnen van andere vormen van kunstmatig licht niet zomaar verdwijnen. Vuurdragers stralen namelijk veel meer licht uit dan olielampjes, vetpotjes of kaarsen, die maar een klein vlammetje hebben. Bovendien zijn fakkels beter bestand tegen weer en wind. Daarom werden vuurdragers nog tot ver in de twintigste eeuw volop gebruikt. Bekend voorbeeld hiervan is dat in Nederland de dijkbewaking nog lang een voorkeur had voor toortsen als draagbare lichtvoorziening. 

 

Albert Bierstadt - Oregon Trail, 1863. Bron: Wikimedia Commons

Voor Amerikaanse pioniers was het kampvuur weer dagelijkse kost.

 

Ook het open vuur zou nog in tal van vormen blijven bestaan. Primitieve volkeren leefden bijvoorbeeld nog lang met vuur en sommige van hen doen dat zelfs vandaag de dag nog. Echter ook reizigers hadden tot aan de uitvinding van het campinggaststel vaak geen andere keus dan wat hout te zoeken en een kampvuur te stoken om op te koken en warmte en licht van te krijgen. Ook dat doen mensen nog steeds wel, maar meestal meer voor de gezelligheid dan uit noodzaak.

Lees hier meer over verlichting door vuur in het verleden

Vuurplaatsen binnenshuis

De overgang van vuur buiten naar vuur binnen gebeurde, niet heel verrassend, nadat mensen het nomadenbestaan hadden afgeworpen en zich op vaste plaatsen gingen vestigen als boer. Dat begon zo'n 10.000 jaar geleden in het Midden-Oosten. Daarmee was de haard met schoorsteen zoals wij die kennen echter niet meteen geboren.

Huizen uit de oudheid en vroege middeleeuwen, de zogeheten hallen, bestonden vaak maar uit één grote ruimte en hadden een centrale vuurplaats binnenshuis. Deze werd gevormd door een stenen of later ijzeren stookplaat waarop het brandbare materiaal werd gestapeld. Boven het vuur hing een zogeheten haardhaal, waaraan een kookpot of ketel kon worden gehangen. Deze was in lengte verstelbaar, zodat de pot dichterbij of verder van het vuur af kon worden gehangen, naar wat nodig was om de inhoud van de ketel goed te koken. De rook kon door een gat in het dak naar buiten.

Of liever gezegd, het was de bedoeling dat de rook via het gat naar buiten trok, maar helaas gebeurde dat meestal slechts half. Veel rook paste niet meteen door het gat en bleef onder het dak hangen. Ondertussen hadden de ramen in dergelijke huizen vaak geen enkele afdekking, zodat rook en vonken volop rond konden worden geblazen door de luchtstromingen, bijvoorbeeld recht in mensen hun gezicht. 

En dan waren de daken ook nog vaak rietgedekt, waardoor er weinig nodig was om tot een grote brand te komen. Kortom, een andere oplossing was dringend gewenst.

 

Olaf Isaachsen - Interieur van een boerderij in Ose in het Setedal, 1878. Bron: Wikimedia Commons/ National Museum of Art, Architecture en Design (Oslo)

In Noorwegen hadden veel boerderijen eind 19de eeuw nog steeds een open vuurplaats in huis. De schilder laat goed zien hoe de rook onder het dak blijft hangen. Ook in andere landen konden afgelegen, arme boerderijen nog wel een open vuurplaats hebben.

 

De eerste schoorstenen

Toch viel het niet mee om tot zo'n oplossing te komen. Mensen begrepen wel dat er een beter rookkanaal nodig was dan een gat in je dak, maar om er ook een te maken gaf technische problemen. Een vuur wordt flink heet en daar moeten zowel rookkanaal als achterwand van de stookplaats tegen kunnen. 

Het gevolg was dat de oudste haarden nog geen echt rookkanaal hadden. Deze haarden werden in Normandische kastelen gemaakt. Daarbij holde men een stuk dikke kasteelmuur uit en maakte een gat door de muur heen naar buiten voor de rookafvoer. Ook dat trok echter slecht. Zo slecht dat het slappe vuurtjes met weinig warmte en licht tot gevolg had. Bovendien was deze vorm van haard ongeschikt voor het overgrote merendeel van de huizen, aangezien die van hout waren gebouwd en dit type rookkanaal het hele huis tot haard had gemaakt.

Wat er voor nodig was om tot een goede schoorsteen te komen was dan ook de ontwikkeling van deugdelijke baksteen als materiaal voor het bouwen van huizen. Deze bleek veel beter tegen de hitte bestand dan andere steensoorten. Hierdoor verschenen waarschijnlijk in de 14de eeuw de eerste schoorstenen. 

De haard werd dankzij de schoorsteen verplaatst naar de zijkant van een kamer en tegen buitenmuur geplaatst. Het betekende tevens dat de haard nu verrijkt werd met een haardplaat die tegen de achterkant van de haard werd bevestigd. Net als de vuurplaat was deze gemaakt van vuurbestendige materiaal.

 

Maker onbekend - Afbeelding uit de Tacuinum Sanitatis, een middeleeuws handboek over gezond leven, 14de eeuw. Bron: Wikimedia Commons

Een 14de-eeuws gezin zit rond hun vuurplaats met rookkanaal en vormt aldus een voorbeeld voor een gezonder en prettiger leven binnenshuis. De gelukzaligheid die de gezinsleden uitstralen doet het welhaast een middeleeuwse reclame voor schoorstenen lijken.

 

De nog lange tijd matige schoorsteen

Aanvankelijk was lang niet iedereen gecharmeerd van de betere rookafvoer. Veel mensen meenden dat de rook waarin ze gewend waren te leven juist gezond voor hun was en allerlei kwalen letterlijk verdreef. Niet bepaald waar, helaas. Wel terecht was het idee dat vuur uit de haard lang niet zoveel licht en warmte afgaf dan een centraal open vuur.

Haarden bleven nog lang inefficiënt werken. Om dat tegen te gaan bouwden men ze steeds groter. Vaak waren ze zelfs zo groot dat er ook plaats was voor zitbanken in de haard (zie de afbeelding van Saltini onder de opening). Daar bleef altijd wel wat rook hangen en er waren volop rondspattende vonken, maar het was ook de warmste plaats in huis.

Schoorstenen bleven echter matig trekken. Toch veroverden ze geleidelijk aan de huizenbouw. Een haard langs de muur gaf namelijk wel veel ruimtewinst. En dat niet alleen omdat het ruimte verslindende centrale open vuur nu kon worden afgeschaft. Het was namelijk de haard met schoorsteen die het mogelijk maakte om verdiepingen op een huis te zetten. Dat kon met een rook brakend open vuur natuurlijk niet. Maar op een beetje schoorsteen kon je haarden op verschillende verdiepingen aansluiten.

 

Frans Wilhelm Odelmark - Schoorsteenveger, 1880. Bron: Wikimedia Commons

Lange tijd was uitbuiting van schoorsteenvegers, vaak kinderen, de zwartste bladzijde uit de geschiedenis van de schoorsteen.   

 

Verbeteringen aan haard en schoorsteen

In latere tijden werd er een metalen rooster of vuurkorf geplaatst boven de vuurplaat. Doordat de as uit de brandhaard viel, kon het vuur beter branden en was er veel minder rookontwikkeling. Onder het rooster werd de as opgevangen in een zogeheten aspot. Later werd dat een aslade. Dit rooster, dat wij nog steeds gebruiken in open haarden, maakte bovendien het branden van steenkool in de haard mogelijk.

Een andere ontwikkeling was het ontstaan van de schouw. Dat is een een soort ingebouwde kap boven de haard waar de rook nog beter in werd opgevangen en afgevoerd. De kap, ook wel schoorsteenboezem, helpt bovendien mee de warmte van het vuur door de ruimte te verspreiden. Een schouw is gemaakt van materiaal dat tegen hoge temperaturen kan. 

In chiquere huizen kreeg de schouw de vorm van een luxe uitgevoerde schoorsteenmantel,

die ideaal bleek om snuisterijen op te plaatsen. Mede daarom zou de schoorsteenmantel, in iets minder luxe uitvoeringen, langzaam maar zeker de sociale ladder afklimmen. Toch bleven schouwen zonder expliciete schoorsteenmantel ook voorkomen.

 

Otto Kirberg - De voorlezeres, 1902. Bron: Wikimedia Commons

Typisch Nederlandse schouw zonder expliciete schoorsteenmantel maar wel decoratief, gemaakt met tegels.

 

Verlichting door de haard op het platteland

Mensen gingen, zoals gezegd, in huis omzichtig om met de immer dure brandstoffen. Op het platteland spaarde men daarom 's zomers zoveel mogelijk brandstof uit, omdat deze dan nauwelijks nodig was. De temperatuur was hoger en er was veel meer daglicht. Mensen pasten hun leefritme zomers aan de loop van de dag aan om te voorkomen toch nog kostbare brandstof te moeten verbruiken voor slechts enkele uren extra licht. Men stond dus op als licht werd en ging naar bed als het donker werd, ook bekend als 'met de kippen op stok' gaan.  

In de winter daarentegen was het gebruik van brandstof onvermijdelijk, zowel voor licht als warmte. Dat betekende dan wel dat men deze zo goed mogelijk wilde gebruiken. Het opmerkelijke gevolg hiervan was dat dorpelingen 's winters langer opbleven en veel meer werk in de avonduren deden dan 's zomers. Men bleef dan op tot het hout in de haard was opgebrand. Hier komt ook het idee van lange winteravonden vandaan. In vroegere eeuwen waren die letterlijk langer dan zomeravonden.

Die lange winteravonden werden bijvoorbeeld gebruikt om sociale contacten te onderhouden en bij elkaar op visite te gaan. Daar had men in de zomer geen tijd voor. Verder werden er karweitjes gedaan waar men overdag niet aan toe kwam, zoals spinnen, breien of het bewerken van hennep. De mannen zaten daarbij dicht op de haard en deden het breiwerk. Vrouwen zaten iets verder weg te weven en hadden extra olielampjes of kaarsen om zich bij te lichten. 

 

Maker onbekend - Een knusse plek, 19de eeuw. Bron: Wikimedia Commons 

Deze scene speels zich af in Duitsland, maar verschilt weinig van hoe het er in veel Nederlandse en Belgische boerderijen zal hebben uitgezien tijdens een lange winteravond, met drie generaties present.

 

Het verschilde een beetje per regio wanneer de beschikbare brandstof precies gebruikt werd. Vaak ging het vuur rond Pasen uit, maar de dag waarop het weer aanging varieerde sterk. Dat kon al eind juli zijn, als de dagen weer korter werden, maar ook pas in september of oktober.

Het begin van de wintercyclus werd meestal ingeluid met een feest. In katholieke streken werd dat vaak verbonden aan een heiligendag. Een goed voorbeeld hiervan is het nog immer populaire Sint-Maarten dat op 11 november gevierd wordt. Dit is bij uitstek een feest van vuur en het ontsteken van licht, getuige de vreugdevuren en lampionoptochten die er vaak meer gepaard gingen en gaan. Net als andere van dergelijke feesten ging Sint-Maarten vergezeld van speciale lokale gebruiken en etenswaar. Soms kon dat zelfs per dorp verschillen. 

 

Heinrich Hermanns - Sint-Maartensoptocht voor het Düsseldorfer Rathaus, 1905 (cropped). Bron: Wikimedia Commons

 

Niet genoeg licht

Hoe groot de haard in een boerderij ook was, meestal was het licht dat deze afgaf bij lange na niet genoeg. Allerlei vormen van extra verlichting waren nodig. Daartoe werden vaak olielampjes of kaarsen gebruikt, die elders in de ruimte werden neergezet of gehangen. Dat maakte deze ruimtes doorgaans maar een klein beetje minder donker, maar alle beetje hielpen.

Vaak ook werd er direct naast de haard of aan de schoorsteenmantel al extra verlichting bevestigd. De mensen zaten immers bij de haard, dus dan was de extra verlichting daar ook het meest gewenst. Dit waren meestal kaarsen of houtspanen in houders of hangende olielampjes. In veenrijke gebieden werden kienspanen gebruikt (zie verderop in het artikel), elders spanen van harshoudende houtsoorten, vaak naaldbomen.

 

Eastman Johnson - Lincoln als jongen lezend bij een haard, 1868. Bron: Wikimedia Commons/ Library of Congress

Abraham Lincoln, groeide op als zoon van een timmerman en boer in een eenvoudige blokhut op het platteland van Kentucky. Grotendeels leerde hij zichtzelf lezen en schrijven. Het schilderij is drie jaar na zijn dood gemaakt. Behalve een kijkje in de levensgeschiedenis van een van de beroemdste presidenten van de Verenigde Staten ooit, laat het goed zien hoe de jonge Abe zich de moeite moet doen om afdoende licht te krijgen van de haard om bij te kunnen lezen. 

 

Haarden in kastelen en landhuizen

Op het platteland stonden ook kastelen en landhuizen, zeker ook in de 19de eeuw en begin 20oste eeuw. De rijke edelen, andere grondbezitters en industriëlen die hier woonden, hadden uiteraard andere gewoonten dan de boerenfamilies. Ze hadden ook andere haarden. Wel groot ook, maar doorgaans voorzien van een luxe, fraai afgewerkte schoorsteenmantel. En dat in bijna iedere van de tientallen kamers.

Toch kende de luxe ook hier de nodige beperkingen. De kamers in dergelijke huizen en kastelen waren immers navenant groot en daarmee voldeed de haard doorgaans niet als bron van warmte en licht. Vooral kastelen waren berucht koud en donker. Het is om deze reden dat ook negentiende-eeuwse landheren meestal recht voor hun haard zitten.

 

Wouterus Verschuur - Beste vrienden, 1828-1874. Bron: Wikimedia Commons

Een Nederlandse heer die bij het haardvuur de krant zit te lezen, vergezeld door zijn honden. Kamerjas aan, sigaar in de mond en vrijetijdshoedje op het hoofd. Een typisch beeld voor landelijk wonende elite in de 19de eeuw. Van honden is trouwens bekend dat ze de warmste plek in een kamer graag mogen innemen. Daarom lagen en liggen ze meestal dicht in de buurt van de haard.

 

Verlichting uit haarden in de stad

In steden en ander grote plaatsen kwam al in de 17de of 18de eeuw een einde aan het leven met de seizoenen. Dat begon met steeds betere straatverlichting. Deze maakte het opbloeien van een avond- en zelfs nachtleven mogelijk. Daarom was het leven in steden niet langer afhankelijk van licht of donker.

Vervolgens kwamen in de loop van de 19de eeuw verschillende typen lampen beschikbaar die breed licht gaven, zoals argandlampen, petroleumlampen, gaslampen en elektrische lampen. Deze waren raakten geliefd onder de midden- en hogere klassen en vonden in beperkte mate zelfs hun weg naar de huizen van arbeiders. Daarmee gingen veel stedelingen niet meer met de kippen op stok.

Wat niet wilde zeggen dat ze nooit meer gebruik maakten van het licht van de haard. Er zijn teveel afbeeldingen overgeleverd die het tegendeel bewijzen. Hoewel tegen het eind van de 19de eeuw in steden de schouw niet meer als noodzakelijke maar wel als sfeervolle bron van warmte en licht naam begint te maken.

 

Santiago Rusiñol - Romantisch boek, 1894. Bron: Wikimedia Commons/ Museu Nacional d'Art de Catalunya

Een welgestelde stadse dame leest bij het licht van de haard. In alle tijden en op alle plaatsen een ideale plek voor het lezen van een romantisch boek. Het is echter wel de vraag of die twee hoge voorwerpen op haar schoorsteenmantel vazen zijn of toch petroleumlampen.

 

Voor de sociale onderlaag pakte het in veel steden rond 1900 nog heel anders uit. Bedienend personeel zat nog vaak rond de haard in de keuken van hun werkgevers en armere stadsbewoners konden de dure nieuwe lampen niet of slechts beperkt betalen. Van allerhande seizoensfestiviteiten betreffende het aandoen van het licht in de winter was echter geen sprake meer. Al werden bepaalde feesten, zoals het eerder vermelde Sint-Maarten wel gevierd, maar met een andere invulling.

 

Jonathan Pratt - De leesles, datum onbekend, maar grofweg rond 1900. Bron: Wikimedia Commons

Het verschil tussen de inrichting van woningen op het platteland en eenvoudige stadswoningen is klein, waardoor het moeilijk te zeggen is waar dit huis ligt. Maar een moeder die is gekleed in een losse rok met blouse en haar dochter leert lezen in plaats van handwerken lijkt meer op haar plaats in de stad.

 

Brandstoffen voor de haard rond 1900

Het begon uiteraard ooit met hout. Hout was de belangrijkste brandstof voor open vuurtjes in de prehistorie en het zou door alle eeuwen heen de belangrijkste brandstof blijven voor haarden. In de middeleeuwen kwamen er echter een paar opties bij die ook lang dienst hebben gedaan en in de 19de eeuw zelfs hun hoogtijdagen beleefden.

Hout en sprokkelwaar 

Hout wordt verkregen door het kappen en in blokken hakken van bomen of het bij elkaar sprokkelen van takken. Vaak was hout echter alleen het hoofdbestanddeel van het vuur.

In principe gebruikte men alle brandbare materialen die men bij elkaar wist te sprokkelen, zoals bijvoorbeeld ook dennenappels of biezen van waterplanten. Welke materialen er precies werden gesprokkeld, was afhankelijk van de streek en wat er te vinden was. In sommige situaties werd om grote vindingrijkheid gevraagd.

Negentiende-eeuwse Amerikaanse pioniers bijvoorbeeld hadden in het westen niet de beschikking over de gebruikelijke grondstoffen, inclusief hout, dat nu eenmaal niet veel groeit op kale prairies. Daarom gebruikten zij als brandstof onder meer maïskolven, gedroogde koeienvlaaien ('oppervlaktekool') en vet van dieren of visolie, hoewel dat allemaal vreselijk walmde en stonk.

 

Mathias J. Alten - Nederlanders, 1910. Bron: Wikimedia Commons

Het Nederlands heeft met sprokkelen een speciaal woord voor het verzamelen van hout en andere brandbare materialen. Dat is in veel andere talen niet zo. Vandaar wellicht dat dit schilderij met professioneel of zeer ervaren overkomende sprokkelaars de titel heeft die het heeft. In Nederland was sprokkelen op veel plaatsen een belangrijkere manier om brandstof te vergaren dan houtkap of mijnbouw.

Steenkool

Steenkool bestaat uit in een geologisch verleden samengedrukte en versteende afzettingen van plantenresten. Het wordt verkregen door mijnbouw. De Romeinen wisten al dat je steenkool kon gebruiken om een vuur mee te stoken. Het winnen van steenkool in een mijn is echter zwaarder en moeizamer werk, dan het kappen van hout.

Tot in de middeleeuwen was er zoveel hout en ander sprokkelmateriaal voorhanden dat de Romeinen en vroege middeleeuwers geen noodzaak zagen om steenkoolmijnen te openen. Allen steenkool dat aan de oppervlakte lag werd wel gebruikt als brandstof. Dat veranderde toen in de loop van de middeleeuwen de beschikbare houtvoorraad in Europa slonk terwijl de behoefte aan brandstof door de groei van stede toenam.

In de 13de eeuw nam Engeland het voortouw bij het openen van steenkoolmijnen. Deze mijnen konden echter niet dieper worden uitgegraven dan het niveau waarop het grondwater stond. Dat veranderde door de komst van de stoommachine die het mogelijk maakte om grondwater tot op grote diepte weg te pompen.

Vandaar dat de 19de eeuw pas echt de eeuw van de steenkool werd en kolen op grote schaal als brandstof werden gebruikt. Er zijn echter verschillende soorten steenkool, waarvan sommige een hoog gasgehalte hebben en andere een laag. De twee soorten met het laagste gasgehalte, antraciet en magere kool, waren als enige geschikt voor gebruik in huis.

 

Hans Baluschek - Kolentransporten, 1901. Bron: Wikimedia Commons/ Märkisches Museum (Berlijn)

Vrouwen gebruiken allerlei manieren om kolen door de sneeuw naar huis te brengen. Waarom dat hier zo gaat is niet bekend. Op de meeste plaatsen kwam er een kolenboer met paard en wagen aan huis of zou je verwachten dat mannen de kolen vervoeren. Vermoedelijk is er sprake van een ongebruikelijke regeling in verband met de sneeuwval.

 

Turf

Turf is gedroogd veen dat geschikt bleek om als brandstof te dienen in kachels en haarden. Veen kwam voor in moerassige gebieden, waar afgestorven planten na honderden jaren een metersdikke laag hadden gevormd. Deze kon men weggesteken of opbaggeren en vervolgens te drogen te leggen op zogeheten legakkers. Dit noemt men turfstekerij.

De aldus verkregen turf werd met platbodemschepen naar de gebruikers gevaren, deels langs speciaal aangelegde zijkanalen, de zogenaamde wijken. Er is  verschil in samenstelling tussen hoogveen en laagveen, waarbij die eerste in het algemeen een betere kwaliteit turf leverde dan de laatste. 

Ook turf werd al ten tijde van de Romeinen als brandstof gebruikt, zij het wel vooral in delen van Noord-Europa waar aan veen geen tekort was. Net als bij steenkool leidde in de middeleeuwen de combinatie van groeiende bevolking en dalende hoeveelheid hout leidde tot een enorme toename van het gebruik. 

Rond 1900 was turf nog steeds populaire brandstof, zeker ook in Nederland en België. Het waren zelfs de hoogtijdagen van turfstekers in het oosten van Nederland. Het lijkt veel langer geleden, maar het is echt maar een eeuw of wat geleden dat Nederlandse en Duitse turfstekers tijdens het seizoen nog naar Drenthe trokken en daar in plaggenhutten woonden.

 

William Fleming Vallance - Turfboot, Shetland, 1872. Bron: Wikimedia Commons/ Shetland Museum/ Art UK

De meisjes die met hun vader meevaren op de turfboot kunnen het zich niet veroorloven om ondertussen hun handwerkjes neer te leggen.

 

Kienhout

Kienhout, ook wel kienholt of kienstobben genoemd (bog-wood in het Engels), is hout dat in het veen heeft gelegen en daar gedeeltelijk is versteend. Het hout is afkomstig van bomen die in de middeleeuwen of eerder groeiden. Soms zelfs heel veel eerder, want in recente tijden is er hout gevonden van drie millennia oud. Alles dat in het veen wordt begraven wordt uitermate goed geconserveerd. Kienhout was aldus een bijproduct van de turfstekerij, al was het minder populair als brandstof dan de turf zelf omdat het snel opbrandde. 

Vaak hielden turfstekers en andere bewoners van veengebieden, zeker ook in Nederland en België, het kienhout achter om zelf te gebruiken. Ze hadden het immers toch min of meer gratis en kienhout gaf wel veel licht. Afgezien van gebruik in de haard sneden ze er ook spanen van, kienspanen genoemd, die ze in houders stopten en als een soort van minitoorts gebruikten. Ook werd het wel als gewoon timmerhout gebruikt.

Tegenwoordig is het zelf meenemen van kienhout uit veengebieden verboden. Het wordt nu bijna alleen nog verkocht als hout voor in aquariums, aangezien het twee tot zes jaar goed blijft als het in water ligt.  

 

Vincent van Gogh - Boerin kookt bij een open haard, 1885. Bron: Wikimedia Commons/ Metropolitan Museum of Art

Welke brandstof deze boerin gebruikt zullen we nooit zeker weten. Het schilderij is echter gemaakt in Nuenen en die plaats ligt op de Peel waar nog tot ver in de 20ste eeuw turf is gestoken. Dat de boerin turf of kienhout gebruikt is daarom goed mogelijk.

 

Brandpreventie

Open vuur telde ook in een woning van baksteen nog lang als een sluimerende waakvlam die elk moment kon oplaaien tot een beduidend groter vuur dat niet de bedoeling was. Kleine brandjes kwamen regelmatig voor en uitslaande branden heel wat vaker dan tegenwoordig. 

Er was dan ook in bijna elke ruimte van een huis met enige regelmaat iets van vuur te vinden. Niet alleen van de haard, maar die had wel het grootste vuur dat de meeste vonken rond sproeide. En dat in huizen waar nog bijzonder veel brandbaar materiaal in en aan te vinden was, van stromatrassen tot houten meubels tot rieten daken. Dat werd in de 19de eeuw uiteraard niet beter door de fascinatie met overdadige stoffering die Victoriaanse burger eigen was. 

Om 's nachts het gevaar toch een beetje te beperken, had men bolvormige deksels om vuren mee af te kunnen dekken. Zo'n deksel werd een couvre-feu genoemd (een benaming die in sommige talen synoniem werd met 'avondklok', zoals curfew in het Engels en couvre feu in het Frans.) Ook kwamen er ijzeren haardschermen in de vorm van gaasachtige roosters die men voor het vuur kon zetten. Deze hielden rondspattende vonken tegen. Beide maatregelen hielpen, maar maar niet tegen alle brandgevaar.

 

William Andrews - Couvre-feu, gebruiksartikel om vuur mee te doven in een haard, 1891. Bron: Wikimedia Commons/ William Andrews & Co - Old Church Lore, 1891. 

 

Van onmisbaar onding naar sfeerbrenger naar gezondheidsrisico

Het moge duidelijk zijn dat open haarden veel nadelen hadden: ze gaven te weinig warmte en te weinig licht voor de meeste ruimtes, rookten vaak flink en veroorzaakten veel brandgevaar. Een beter alternatief was er echter eeuwenlang niet. Mensen raakten daardoor zo vergroeid met hun leven rond de haard dat ze dat niet zomaar konden opgeven toen er wél alternatieven kwamen in de vorm van moderne lampen en kachels. 

Nog in de 19de eeuw kreeg de open haard in de steden al de vorm van sfeerbrenger. Bijna geen luxe huis vol lampen waar nog steeds haarden waren. Steeds minder vaak aangestoken wellicht, maar nog altijd voorzien van prachtige schoorsteenmantels en ook van decoratieve haardschermen die in de haard werden gezet als hij niet werd gebruikt. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit wat de open haard overal was, zolang hij nog in een huis zat, een brenger van sfeer en mogelijk ook romantiek.

Dat idee is inmiddels aan ernstige slijtage onderhevig. De rook die schouwen afgeven blijkt zo ongezond te zijn dat mensen wordt verzocht hun open haard nog maar heel zelden of eigenlijk liever niet meer echt aan te steken. Dat is niet alleen voor henzelf ongezond, maar in veel gevallen ook voor hun buren. Daarmee is de haard terug bij af, een eeuwenlange schoorsteenevolutie ten spijt: het open vuur is een gezondheidsrisico.  

 

Childe Hassam - In het Oude Huis, 1914. Bron: Wikimedia Commons

Er ligt hout in deze haard, maar vermoedelijk is het enkel nog voor de sier. De vrouw draagt namelijk een zomerjurk en lijkt in het zonlicht te staan.

Bronnen

Boeken

  • Manda Plettenburg - Licht in huis: kienspaan-kaars-olielamp, Arnhem 1968. ISBN: 9789062715862
  • Bill Bryson - Een huis vol. Een kleine geschiedenis van het dagelijks leven. Amsterdam 2010, 2011. ISBN: 9789046700037

  • Antoinet van de Linde - Het oude licht: straatlantaarns en straatverlichting door de eeuwen heen, Eindhoven 1980. ISBN: 9789064040061

Internetartikelen met auteursvermelding

InfoNu

Internetartikelen zonder auteursvermelding

Wikipedia Nederlandstalig

 

Deze pagina is gepubliceerd op 16 januari 2012 en het laatst bijgewerkt op 11 januari 2021.