Home » Leven » Verlichting » Traditioneel

Traditionele verlichting rond 1900

Over olielamp, kaars, kienspaan en toorts

Eenvoudige vormen van verlichting werden ook tijdens het belle époque nog volop gebruikt door bijna iedereen. De minder bedeelden hadden geen andere vormen van verlichting, middenklassers moesten schipperen tussen oud en nieuw en de rijken hoefden geen dure lichtbronnen op plekken waar dat niet nodig was. Onder bepaalde omstandigheden waren traditionele vormen van verlichting zelfs de beste keus. Maar keuzes maken uit beschikbare vormen van kunstlicht was dus wel iets waar mensen veel meer mee bezig waren dan wij.  


 

Ferdinand du Puigaudeau - Chinese schaduwen, het konijn. +/- 1900 (Bron: wikimedia)

 

Gebruik olielampjes, kaarsen en kienspanen in huis

Olie- en petroleumlampen en kienspanen werden veel gebruikt in schuurtjes, op toiletten (die meestal nog los van het huis stonden) of in voorraadkamers. Ze waren daar het meest geschikt voor omdat ze beter tegen tocht bestand waren dan kaarsen. 

Kaarsen daarentegen waren prettiger voor het verlichten van slaapkamers en badkamers omdat ze minder stonken als olielampen en minder vonken spetterden dan kienspanen.

Al deze  ruimtes waren plaatsen in huis waar groter licht niet persé noodzakelijk was en men gemakkelijk kon bezuinigen op de brandstofkosten.

Daar waar gewerkt moest worden of veel activiteit verricht, zoals in de woonkamer, keuken, studeerkamer of mogelijkerwijs een werkruimte, was het hebben van goed licht belangrijker. Daarom hadden deze ruimtes prioriteit bij diegenen die zich ook duurdere lampen konden veroorloven.

Hieronder volg een nadere toelichting op al deze vormen van verlichting.

 

Eenvoudige olie- en vetlampjes

Eenvoudig olie- en vetlampjes behoren tot de oudste lichtbronnen die er bestaan en dateren terug tot ver in de prehistorie. In de nieuwe tijd na 1870 waren ze nog steeds niet overbodig geworden. Ze vormden nergens meer de hoofdverlichting, maar hadden wel nog een belangrijke aanvullende functie, met name voor de verlichting in huis.

De voorkeur ging hierbij vaak uit naar tuitlampjes of variaties daarop zoals de 'snotneus' of de 'Bettie-lamp'. Dat waren olielampjes waarbij een terugvoer van gelekte olie werd geregeld, zodat er zo min mogelijk werd verspild. Ook waren er verstelbare lampjes die vastzaten aan een staaf en op de gewenste hoogte konden worden geplaatst en simpele uitvoeringen van lampen met branders.

Als brandstof waren er tal van mogelijkheden, zowel plantaardig als dierlijk. Voor olielampjes was er lijn-, raap- en koolzaadolie, maar ook traan en visolie beschikbaar. Populair was de zogenaamde 'patentolie',  dat was heet geperste, geraffineerde olie uit koolzaad. Voor vetlampjes werden alle mogelijke vetten gebruikt. Op boerderijen werd het vaak afgehaald van vlees dat ook bestemd was voor consumptie. 

Lees hier meer over olielampen door de eeuwen heen.

 

Georg Friedrich Kersting - Jonge vrouw naait bij het licht van een lamp. 1823        (Bron: Wikimedia) In hoogte verstelbaar lampje. 

 

Petroleumlampjes

Het olie- en vetlampje kreeg er in de tweede helft van de 19de eeuw een broertje bij in de vorm van het eenvoudige petroleumlampje. Omdat petroleum een vluchtiger brandstof is dan andere olie, hadden deze lampjes een aangepaste brander en een trekglas van bescheiden afmeting.

Petroleum valt ook te omschrijven als lampolie uit aardgas. Het werkt beter dan gewone olie, omdat petroleum veel beter wordt opgenomen door de pit. Dat geeft een betere vlam en voorkomt dat de pit snel verkoolt of het lampje gaat walmen. Een nadeel is echter dat petroleum behoorlijk stinkt (het werd ook vaak 'stinkolie' genoemd). Dat geeft natuurlijk weinig in een schuurtje, maar in je slaapkamer heb je dat liever niet.

Petroleum kocht je niet in de winkel. Het werd in een wat grotere hoeveelheid aan de deur geleverd door het zogenaamde petroleummannetje, die de brandstof in een speciale kar vervoerde.

Lees hier meer over de geschiedenis  van petroleumlampen.

 

 

Christian Krogh - Moe. 1885 (Bron: Wikimedia). 

Tamelijk eenvoudige staande petroleumlamp. 

 

Kaarsen

Kaarsen werden nog wel regelmatig gebruikt in slaapkamers. Vaak  in combinatie met schermpjes van melkglas dat de vlam tegen de tocht beschermde en de ogen tegen het als tamelijk fel ervaren licht van de kaars.

In tegenstelling tot olielampen werden kaarsen ook nog vaak gebruikt in lantaarns. Gedurende de gehele tijd rondom 1900 was de kaarslantaarn de belangrijkste vorm van draagbaar licht. De zaklamp was wel al uitgevonden, maar kwam pas na de Eerste Wereldoorlog echt als gebruiksartikel beschikbaar.

Gedurende de 19de eeuw is voor echt iedere soort verlichting gezocht naar verbeteringen en zo ook voor de kaars. Dit leidde halverwege de eeuw tot de ontdekking dat als paraffine, een bijproduct van de raffinage van aardolie, werd toegevoegd aan het kaarsvet, kaarsen veel goedkoper en in grotere hoeveelheden geproduceerd kon worden. Dat nam echter niet weg dat de kaars steeds meer in onbruik raakte als belangrijke bron van verlichting. Als sfeerverlichting bleef hij echter bijzonder populair.

Lees hier meer over de geschiedenis van de kaars en over de manier waarop mensen met kaarslicht omgingen.

 

 

De krantenrol snijden en stompjes kaars smelten. 1917 (Bron: Wikimedia)

Zelf thuis kaarsen maken was een stuk goedkoper dan ze kopen. Hier woorden nieuwe kaarsen gemaakt van opgebrande stompjes, maar veel boeren maakten ook kaarsen uit eigen vet. 

 

Kienspanen en biezen

Een tegenwoordig vergeten vorm van verlichting was die door middel van kienspanen, biezen of andere harshoudende stukken hout. Deze werden rond 1900 echter nog volop gebruikt op het platteland. Een belangrijk voordeel van dergelijke verlichting was dat men ze gratis of heel goedkoop kon krijgen.

Een kienspaan was een zogeheten 'vuurdrager' die deed denken aan een fakkel. Hij was gemaakt van zogeheten kienhout. Dat was hout dat in het veen had gelegen en daar gedeeltelijk was versteend. Het werd gedolven door turfstekers en gebruikt in de open haard. Men kon er echter ook spanen vanaf halen en die op laten branden. 

Daar waar men geen kienhout had, kon men in plaats van de kienspaan ook biezen van rivierplanten, met name de pit-rus, bewerken tot vergelijkbare vuurdragers. In Europese streken waar geen veen was, gebruikte men ook spanen van andere soorten hout. Dat was wel bij voorkeur harshoudend hout, want dat brandde extra goed.

Er waren speciale houders waar al dit soort vuurdragers in konden worden vastgeklemd. Ze werden vooral gebruikt op de volgende plekken:

  • In huis aan de muur, ook al moest de vloer wel worden aangepast op rondspattende vonken. Kienspanen werden ook vaak naast de haard gehangen voor extra licht, omdat daar het spatten weinig uitmaakte.
  • Als draagbare verlichting bij het doen van werkzaamheden in of rond de boerderij. Hierbij hielden de mannen de kienspaan nogal eens vast met hun mond (!).
  • In de stal als men daar in het donker moest zijn bij een ziek dier of een geboorte.

 

Toortsen

In principe had de toorts of fakkel zo rond 1900 zijn beste tijd wel gehad. Het was relatief gezien een gevaarlijke vorm van verlichting en werd zeker niet meer binnenshuis gebruikt. Toch waren er nog omstandigheden waarbij de toorts de beste keus was. Dat was met name het geval als er bij storm of overstromingen noodwerkzaamheden buitenshuis verricht moesten worden, bijvoorbeeld aan dijken. Toortsen zijn zeer bestendig tegen weer en wind en geven ruim licht. Daarom is bij dergelijke gelegenheden de toorts nog tot in de 20ste eeuw gebruikt. 

Lees hier meer over verlichting door vuurdragers.

 

 

Bronnen

  • Plettenburg M. - 'Licht in huis: kienspaan-kaars-olielamp.' Arnhem 1968
  • Stokroos M. - 'Verwarmen en verlichten in de negentiende eeuw.' Zutphen 2001