Home » Leven » Verlichting

Verlichting rond 1900

Meer keus in lichtbronnen dan ooit

Op het gebied van verlichting was de kleine eeuw tussen ongeveer 1850 en 1940 een overgangsfase, waarbij traditionele vormen van kunstlicht als de kaars, de olielamp en toortsen nog serieus gebruikt werden naast nieuwe vormen als petroleum- en gaslampen en elektrische verlichting. Dat kwam omdat de ontwikkeling en invoering van het nieuwe licht maar geleidelijk aan verliep. Het gevolg was dat het assortiment aan gebruikte lichtbronnen groter was dan deze ooit was geweest of ooit nog zou zijn. 


 

Nieuwe brandstoffen

Bij de vraag welke verlichting mensen in bepaalde tijden hadden, draait feitelijk alles om de vraag welke brandstof er beschikbaar was. In vroege tijden was regionale beschikbaarheid van bepaalde brandstoffen als hout, olie of vet zelfs allesbepalend voor de keus van een bepaalde lichtvorm. Vanaf de 18de eeuw veranderde dat door het toenemen van de mogelijkheden enerzijds en verbeterd transport anderzijds. Daardoor werd de vraag wie welke brandstof kon betalen van doorslaggevend belang. 

Na aanvang van de industriële revolutie kwamen er verschillende nieuwe brandstoffen beschikbaar voor verlichting, te weten: gas, elektriciteit en petroleum (in die volgorde). Dat wilde echter nog niet zeggen dat lampen die op deze brandstoffen werkten ook meteen voor algemeen gebruik beschikbaar kwamen. Feitelijk gold dat alleen, op beperkte schaal, voor gasverlichting. Dat had twee oorzaken:

  • De technische ontwikkeling van lampen die werkten met de nieuwe brandstoffen was nog niet goed genoeg.
  • De distributie van vooral gas en elektriciteit, die via (pijp)leidingen liep, was nog te gebrekkig. 

Pas in de tweede helft van de 19de eeuw wordt het gebruik van nieuw licht geleidelijk aan mogelijk. Dat betrof in eerste instantie de petroleumlamp, aangezien petroleum wel gewoon vervoerd kon worden.

 

Ludwik de Laveaux - Parijse opera bij nacht. 1892/1893. (Bron: wikimedia)Straatverlichting nam door de nieuwe brandstoffen een grote vlucht.

 

De geleidelijke overgang na 1850

Na 1850 neemt het aantal patenten op allerlei typen verlichting echter rap toe. Lees hier meer over de uitvindigen op gebied van verlichting die tussen 1870 en 1914 zijn gedaan.

Ondanks dat gaat ook in de nieuwe tijd de overgang van de ene naar de andere soort verlichting echter maar traag. Dat kwam door de volgende redenen:

  • Verschil tussen stad en platteland. Er bestond een groot verschil tussen verlichting in de stad en op het platteland. Lange tijd konden de meeste nieuwe brandstoffen zoals gas, petroleum en elektriciteit niet of maar moeilijk gedistrubueerd worden in dunbevolkte of afgelegen gebieden maar wel in meer verstedelijkte gebieden.

  • Standsverschil. Er kwam verschil tussen de sociale klassen in typen verlichting. Gasverlichting was bijvoorbeeld vrij duur en voor veel mensen niet betaalbaar. Dat gold ook voor elektriciteit, zolang er nog geen leidingen waren en er speciale generators nodig waren om het op te wekken. Meestal werden deze brandstoffen dan ook gebruikt door de rijken en de gegoede burgerij of door bedrijven en organisaties. De middenklasse raakte op haar beurt verbonden met de petroleumlamp, wat kwalitatief gezien een mindere, maar beduidend goedkopere oplossing was dan gas of elektriciteit. De maatschappelijke onderlaag kon het echter geen van allen betalen en zou zich nog lang behelpen met oudere vormen van kunstlicht als olielampen, kaarsen of kienspanen.

  • Zuinigheid. Niet overal in huis was de best mogelijke verlichting nodig. Met het oog op zuinigheid werd alleen in leefruimten als de woonkamer en de keuken volop licht gebruikt. In slaapkamers, schuurtjes, voorraadkasten en toiletten kon men toe met een simpel lichtpunt als een kaars of een eenvoudig olie- of petroleumlampje.

Door deze situatie was het vooral rondom de eeuwwisseling dat nieuw en oud volop naast elkaar bestonden en dat het aantal beschikbare typen lampen en andere soorten lichtbronnen groter was dan waarschijnlijk ooit in de geschiedenis het geval is geweest. Wat dat betreft kun je het Belle Epoque dus echt een overgangsfase noemen.

 

Albert Anker - Jonge moeder overdenkt haar slapende kind bij kaarslicht. 1875      (Bron: wikimedia)

 

De situatie op het platteland

De situatie op het platteland vraagt wellicht om enige toelichting. Lange tijd zouden min of meer afgelegen streken verstoken blijven van de vele vernieuwingen die het industriële tijdperk had gebracht. Zo raakten steden met elkaar verbonden dankzij de spoorwegen en andere nieuwe transportmogelijkheden, maar dorpen werden hier niet of nauwelijks door bereikt. Het gevolg was dat de distributie van grondstoffen naar deze streken tamelijk gebrekkig was, maar dat dit per gebied sterk kon verschillen, afhankelijk van eventuele doorgaande routes.

Voor Nederland gold binnen dit kader dat met name Zeeland het lang moest stellen zonder de nieuwe brandstof petroleum, terwijl die in andere landelijke streken beter te krijgen was.

Gas, dat via leidingen werd verspreid, zou het platteland nooit bereiken. Pas na de Tweede Wereldoorlog begon men ook leidingen naar meer afgelegen gebieden aan te leggen, maar toen werkte de verlichting al uitsluitend op elektriciteit.

 

Karl Josef Müller - Lezende jonge vrouw bij het licht van een petroleumlamp. Datum onbekend. (Bron: wikimedia)

 

Beschikbare verlichting in huis rond 1900

De lampen en andere vormen van verlichting die tussen 1870 en 1914 in huis werden gebruikt zijn onder te verdelen in de onderstaande categoriën. Kijk voor een nadere toelichting van deze lichtbronnen op de bijbehorende pagina's (zie het menu aan de linkerkant).

  • Verlichting die er vanzelf al was, zoals het daglicht en het haardvuur. Met dergelijke lichtbronnen werd nauwgezetter omgesprongen dan wij nog doen.
  • Traditionele verlichting, bestaande uit simpele olie- en vetlampjes, kaarsen, toortsen en kienspanen.
  • Grote olie- en petroleumlampen.
  • Gasverlichting, meestal via het leidingnet, maar soms ook door carbid (acetyleengas).
  • Elektrische verlichting.

 

Andere soorten verlichting rond 1900

Natuurlijk was er niet alleen in en om het huis behoefte aan verlichting. Integendeel, de zoektocht naar beter licht was juist in gang gezet door de noodzaak beter verlichting te hebben in fabrieken of op straat. Op een aantal plaatsen was daartoe specifieke belichting nodig, namelijk: 

  • Straatverlichting. Straatlantaarns boden rond 1900 verschillende mogelijkheden, zij het geen van allen ideaal. Meest gebruikt waren olielantaarns, gaslantaarns en booglampen. Vanaf 1912 kwamen er ook met gloeilampen, maar dat waren er nog steeds maar weinig.
  • Theaterverlichting. Dit was een combinatie van het speciale kalklicht en booglampen. 
  • Mijnlampen. Het gebruik van licht in de mijnen was altijd al een verhaal apart, vanwege de aanwezigheid van mijngas.

 

 

Bronnen

  • Plettenburg M. - 'Licht in huis: kienspaan-kaars-olielamp.' Arnhem 1968
  • Stokroos M. - 'Verwarmen en verlichten in de negentiende eeuw.' Zutphen 2001
  • Linde A. van de - 'Het oude licht: straatlantaarns en straatverlichting door de eeuwen heen.' Eindhoven 1980